Een frustratie-epidemie dreigt

Er zíjn mensen die het (mij) zwartgallig dan wel cynisch vinden: het wijzen op veel te optimistische verwachtingen over tal van zaken. Niet dat ze gelijk hebben als het over karakter gaat. Wel hebben ze gelijk als het om de boodschap gaat: die is inderdaad vrij somber getint…. als tegenwicht voor het ongebreideld positieve. Wat mij betreft, is het een teken van intellectuele armoede, het één óf het ander. Het is beide, in wisselende sterktes. Maar ze zijn en blijven onlosmakelijk verbonden. Nadrukkelijk één van beide veronachtzamen, is dan niets anders dan dogmatisch denken. Daarin zijn interpreterende volgelingen van diverse geloven erg sterk.

Het is nu eenmaal niet anders. Velen wíllen helemaal die tegengeluiden horen. Dat verstoort de illusie. Eén van de beste voorbeelden daarvan vind ik nog steeds Andrew Keen. Uitgekotst door mensen die zichzelf tot voorhoede rekenen, toen-i schreef over de amateurcultus. Een terechte waarneming en een verademend nuchter tegengif tegen al die epistels die ons de komst van burgerjournalisten en een democratisering van veel voorspiegelden, vooral doordat er meer ‘macht’ bij de burger, de leek zou komen te liggen.

Zo zit de wereld niet in elkaar en de tijd bewijst dat ook.

Natuurlijk is er een schokgolf over de wereld getrokken. Een schokgolf die slachtoffers heeft gemaakt, maar slechts een handjevol winnaars opleverde. Eigenlijk zou dát eens in kaart moeten worden gebracht: hoe de machtsbalans nu is verschoven, en hoeveel winnaars en hoeveel verliezers we kunnen tellen. Wie heeft er profijt gehad? Mijn voorspelling is dat die balans marginaal is verschoven, maar vooral dat de verandering vooral een verschuiving is geweest. Er zijn nieuwe machthebbers, maar of die socialer of maatschappij-vriendelijker zijn, moet nog blijken. Overigens is zo’n exercitie altijd een momentopname, omdat rust, status quo, nog lang niet lijkt bereikt. Dus, wie weet, is er hoop voor de positieve maatschappijverandering.

Wat me echter ook boeit, is een heel ander gevolg. Elders heb ik het weleens ‘ongeduld’ genoemd, Herman Pley parafraserend. Ongeduld die leidt tot onvrede en frustratie. Een frustratie-epidemie is een reëel perspectief, denk ik. Frustraties door verkeerde verwachtingen.

Let op. Ik ga níet beweren dat er niets gaat veranderen. Wat ik wél beweer, is dat een levensgroot risico bestaat dat ‘men’ verwacht dat dat nu ook snel gebeurt. Juist dát is het probleem: de snelheid van verandering.

De snelheid waarin technologie verandert, is formidabel. De mogelijkheden die ons worden geboden, zijn in zeer korte tijd formidabel gegroeid. Maar dat zijn de mogelijkheden. Dat zijn de randvoorwaarden. Die zeggen niets over de toepassingen. Die blijven achter of zijn eenvoudige transformaties van bestaande processen en verhoudingen. De arts die via nieuwe media-mogelijkheden met z’n patiënt communiceert, is bij lange na geen ‘nieuwe arts in een andere machtsverhouding’. Was dat wel zo, dan kon de patiënt instrúcties kunnen geven en over voldoende kennis beschikken om dat te doen. Die situatie bestaat niet. Precies hetzelfde gebeurt onder de noemer ‘burgerparticipatie’. Er is geen enkele gemeente die zich volledig ondergeschikt maakt aan burgerinitiatieven. Steeds weer komt ‘maar wie vertegenwoordigen zij dan?’ terug. Nog steeds worden kunst-uitingen als muziek en schrift niet in een directe relatie met de afnemer gedeeld, maar bestaat er een intermediair.

Allemaal heel begrijpelijk, want we weten helemaal niet hoe het moet, die directe relatie of invloed. Eerlijk is eerlijk: misschien kán het niet eens en is de nieuwe machtsfactor juist de technologie. Misschien is juist degene die dat democratiseren mogelijk zou maken, juist het nieuwe keurslijf. Vooralsnog lijkt het daar op.

Toch zie ik nog steeds en geregeld activiteiten opkomen die gestoeld zijn op dat invloedsdenken. Alsof het voldoende is via social media een hashtag-actie te starten om iets te veranderen. Dat is net zoiets als met z’n allen brullen ‘wij willen het zó’. Alsof dat ooit effect heeft gehad op beslissers. Sterker, kwaadwillenden gebruiken die ‘stem’ steeds vaker voor eigenbelang. In mijn stad hebben we ook zo’n burgerinitiatief. Dat wordt ‘gedragen door de stad’. Maar het moet wel voldoen aan hetgeen de initiatiefnemer voor ogen heeft. Ingrijpende verandering van het plan, een nieuw karakter bij voorbeeld, is uit den boze.

Een frustratie-epidemie dreigt. Dat op zich is vervelend. Maar vervelender zijn mogelijk consequenties als een nog meer beschadigd vertrouwen in elites. ‘We worden niet serieus genomen’. Het is goed te experimenteren. Maar wees wel eerlijk, oprecht en vooral duidelijk: er zijn grenzen aan invloed, heldere en ook mistige grenzen.

De stad van halverwege

Ooit, op een blauwe maandag, heb ik op een HTS gezeten. Bouwkunde. Een mooi vak, maar qua aansluiting op de HAVO een ramp. En dus struikelde ik over alles wat op een exact vak leek. Vooral ‘hogere wiskunde’ heeft in een half jaar al mijn liefde voor wiskunde de nek omgedraaid. Met, ik meen, drie van de zestien vakken voldoende droop ik af (na al een half jaar veel lessen te hebben gemist. Zoveel anders is iedere generatie jeugd niet). Maar onder de voldoendes zaten vakken als bouwkunst, bouwkunde en kunstgeschiedenis. Die laatste was best lastig. Maar alledrie hebben ze me in de loop van de tijd geregeld voldoende kennis opgeleverd.

In de jaren negentig verhuisde het jongerencentrum waar ik als bestuursvoorzitter én vrijwilliger actief was van een schoolkelder naar een geheel tot jongerencentrum verbouwde boerderij. Van alle verhalen en herinneringen zijn er waarin die bouwkunde-wijsheid van pas kwam. Zo moest er een luchtverversingsinstallatie komen. Een groot apparaat met ook grote buizen die in- en uitgaande lucht wegbliezen. Wat doe je dan? Op de HTS had ik geleerd en onthouden dat je iets of goed moet kunnen wegwerken of juist benadrukken. Halfslachtig wegwerken werkt verstorend en is lelijk. En dus kwam de machine als een soort kunstwerk, verlicht en al, gewoon in het zicht te hangen (eerlijk gezegd, ben ik er nog steeds niet uit of het trucje eigenlijk wel werkte).

Dat ‘alles of niets’uitgangspunt werkt over het algemeen wel. Abri-beheerders ontdekten jaren geleden al dat goed onderhouden abri’s – bus- en tramhokjes – minder uitdaagden verder misbruik te te worden dan halfgesloopte of vervuilde. Vuil en vernieling trekken vuil en vernieling aan. Het is allemaal familie van elkaar: half is slecht. Die luchtververser past ook in de traditie van vernielde bushokjes. De boodschap is dat objecten zórg moeten uitstralen. Anders is de boodschap eerder dat niemand zich er echt om bekommert en dus is het de vraag waarom jij, de vandaal, dat dan wél zou moeten doen. Niet dat de redenering van de vandaal klópt, maar het werkt ongeveer zo wél.

Neem een gribusbuurt. Ik durf te wedden dat dat een buurt is die er uitziet alsof niemand zich erom bekommert. Je kent het wel: slechte straatverlichting, zwerfvuil, hoge parkeerdruk, enzovoort. Gribus is een openbare ruimte waar is gecapituleerd voor nonchalance. Overigens, die straatverlichting is echt belangrijk. Steden waar kwistig is gestrooid met die gelige natrium gasontladingslampen ‘vanwege de sfeer’ roepen net zo vaak gribusgevoelens op: slecht zicht en slecht zichtbaar zijn.

Zaterdagavond fietste ik door Leiden. Dat is zo’n ‘we maken het gezéllig’stad, mét gasontladingslampen in nep-klassieke armaturen. Op sommige plekken werkt het eventjes. Daar waan je je met dat licht in een andere eeuw. Maar inmiddels lijkt het alsof Leiden meent dat je die context terughaalt door het licht aan te passen. Context is echter méér dan de straatverlichting. Toen de lampen gewoon waren, was de samenleving een stuk langzamer, in vervoer én in denken. Dat is niet meer. Vaker is het gribus.

Photo 22-11-14 21 58 56

Een Leidse straat. Eigenlijk zelfs een straat die zou moeten bruisen. Er zijn cafe’s, restaurants, eethuisjes, winkels en woonhuizen. Maar bruisen doet het er niet. Het is zo’n straat die het nét niet heeft. Daarvan heeft Leiden er veel; straten en pleinen die niet uitnodigend zijn. Als je goed kijkt, zie je ook de onbewuste boodschap dat het een straat van niemand is, een straat waar haast niet naar wordt omgekeken en waarvoor niemand écht warm loopt.

De winkeliers hebben blijkbaar een afspraak over kerstverlichting. Ieder jaar schuiven ze hun kerstversierde vlaggenstok in de houder. Jammer genoeg is dat een zooitje: de verlichting is grotendeels (deels) defect. Click maar eens op de foto en zoek de drie sterrenverlichting. Je vindt een stuk verlichte staart, een verlichte kern, een gat in de ster, ze zo meer. Het oogt daardoor als een armoedige kermis waar de feestverlichting haveloos erbij hangt.