Tot je er zélf in gelooft

Claimen van succes: persoonlijk ben ik er slecht in. Voor mij voelt het net zo aan als jezelf neerzetten als ‘expert’ of, nog vele malen erger, ‘guru’. Het zijn waarderingen; en waardering kríjg je, die neem je niet. Toch zijn er zat mensen die heel actief bezig zijn met eigenschouderklopjes, zelfpromotie en zelfvervullende voorspellingen. Vooral van die laatste heb ik er veel gezien in mijn leven.

Ken je dat? Van die collega’s die zichzelf een mooie, vaak niet eens bestaande, functietitel toekennen en die vanaf dan gaan hanteren. Na verloop van tijd ís dat vaak ook hun functie. Stomweg omdat niemand meer stilstaat bij het waarheidsgehalte. Vaak omdat ‘het toch de moeite niet waard is in welke functie iemand zichzelf presenteert’. En eigenlijk is die reactie nog zorgwekkender, vooral omdat het vaak leidinggevenden zijn die zo redeneren. De valse secreetversie van mijn brein denkt dan dat zij zelf ook aan dat pimpen van positie doen of hebben gedaan. Het vereist een dief om een dief te herkennen. Toch?

Zulke vervormingstrucs zie je vrij veel. Vooral in politieke functies. Dat zijn niet per sé politici, maar al die mensen die zich behoedzaam denken te moeten opstellen om anderen, in eigenbelang, niet voor het hoofd te stoten. Doe je dat nét teveel, dan ben je een kruiperige slijmbal. Het is de grootste bedreiging voor het poldermodel: een gebrek aan eerlijkheid en rechte rug, maar een overschot aan politiek manoeuvreren.

Ik heb ooit een directeur gekend die dat deed: pas een standpunt innemen nadat hij had kunnen bepalen hoe het krachtenveld lag. Da’s een goede manier van beslissen als je er níet van uitgaat dat een directeur leiding geeft en visie heeft. Het is de werkwijze van een vergadervoorzitter; een geheel andere functie. Je wordt wel speelbal van verschillende krachten, waardoor het verwijt zal komen dat je autoritair beslist en aan vriendjespolitiek doet. Voor een toeschouwer kies je immers pas achteraf positie, partij.

Wat veel gebeurt, is het creatief krom redeneren. Dát is wel iets des politici, geloof ik. Pas geleden zag ik een citaat van minister Schippers waarin werd gesteld dat de ontwikkelingen in de (ziekenhuis)zorg goed waren ‘want de patiënttevredenheid was in Nederland erg hoog’. Wat me frappeerde, is het gelegde verband. Alsof patiënttevredenheid plots de maat der dingen is, maar vooral alsof er een causale, een verklarende relatie is tussen die twee. Het zijn woorden die je alertheid moeten opwekken: want, omdat, doordat. Hoezo: want, omdat of doordat?

Economisch herstel. Als ik het kort zou moeten duiden: we weten niet hoe dat precies gaat. Wat we weten, is dat als je aan een touwtje trekt dat uit de kluwen ‘economie’ steekt, dat er dan iets gebeurt. Net als touwtje trekken op de kermis. En toch wordt er geclaimd bij het leven.

Daar kan ik me figuurlijk aan ergeren.

Nederland heeft geen invloed op z’n eigen economisch herstel. Die zin ga je niet vaak zien of horen. Maar hij lijkt wel overal onder geschoven te zijn. De beroemde ‘tekenen van herstel’ zijn grotendeels gebaseerd op handelsnatiekracht: export, import en doorvoer. Dat zijn wel factoren waarin klanten bepalend zijn: ‘het buitenland’. De ellende van handelen is dat je vrienden te vriend moet houden. Teveel opvallen, is niet per sé positief. Oubolliger geformuleerd: de kruideniersmentaliteit past dan goed, zuinig en onopvallend. Dát is ook exact wat VVD/PvdA nu doen. Zonder expliciete eigen visie reactief bewegen en vooral bezuinigen. Zonder expliciete visie is dat risicovol. Zonder visie moeten er geforceerde verbanden en effecten worden voorgespiegeld.

Zo een is het vreemde verband dat men meent te zien tussen economisch herstel en beurskoersen. Blijkbaar is speculatiewinst causaal gerelateerd aan óns inkomen. Alsof ‘het vertrouwen van beleggers’ ook maar iets zegt over ‘vertrouwen in de economie’. Het zegt iets over hun vertrouwen in de winstgevendheid van dát bedrijf; ook als dat grootschalig reorganiseert en de daaruit voortvloeiende (uitkerings)lasten bij de samenleving parkeert, ook als het bedrijf doorstart en anderen met de lasten achterlaat. Dát zou op enigerlei wijze iets over ‘de economie’ zeggen?!

De ellende? Ze zijn er zelf in gaan geloven: de oppimpers, de politieke talers, de niet-leiders.

Ik, het molecuul

Wat heb ik eigenlijk gedáán?

Gisteren ben ik vrijwillig en volkomen bij zinnen pion geweest. Pión! Iemand anders bepaalde mijn handelen. Niet nadenken, maar doen wat wordt gevraagd. Nee, geen oefening van militaire reservisten – ik ben zelfs helemaal nooit in dienst geweest.

Tweeëntwintig onbekenden van elkaar hebben zich laten gebruiken voor de ontwikkeling van een locatietheatervoorstelling die volgend jaar moet worden gespeeld. De kans is groot dat daarvoor veel meer spelers nodig zijn. Maar hoeveel? En hoe zet je ze neer? Hoe ziet het ‘toneelbeeld’ er uit ‘in het echt’? Daarvoor waren wij, de pionnen, nodig. En dus draafden we door een bosschage om weer op tijd op onze opkomstplaatsen te komen, deden we oefeningen, stonden op grotere en kortere afstand van elkaar, liepen (bedacht) willekeurig door elkaar zoals moleculen dat doen.

Daar ben je dan een middag zoet mee. Met het uitproberen van twee scenes, op een landgoed aan de andere kant van het land en op een prachtige zondagmiddag. Als je het zo leest, bekruipt je de vraag wat iemand bezielt om dit te gaan doen.

Mijn antwoord is simpel: nieuwsgierigheid. Ik heb ervaring met theater, maar dan in de techniek en nadat de voorstelling helemaal is uitontwikkeld. Scheppend heb ik die ervaring niet. Aangezien dát iets is wat me al jaren fascineert, leek het me wel wat mee te werken. Het is dezelfde vraag als die ik (componerende) muzikanten wel ‘s stel: hoe maak je muziek? Hoe ontstaat een lied? Wat ‘zie’ je, een compleet geheel of groeit het gaandeweg? Precies dezelfde vragen kun je stellen aan schillders; en aan theatermakers, zeker zij die niet een bestaand verhaal volgen.

Ik heb het niet ontdekt. Ook gisteren niet. Maar wel andere dingen.

Eén van die dingen is dat het lastig is ‘toeval en chaos’ te imiteren. Ook mensen gedragen zich steeds minder chaotisch als de druk wordt opgevoerd. Lullig, maar op een bepaalde manier rijzen we niet boven het niveau van een hersenloos molecuul uit. Ga maar ‘s chaotisch door elkaar lopen. Gisteren hoorde daar ook een oefening bij in het chaotisch lopen. Frappant was dat hoe kleiner de oppervlakte hoe geordender de groep bewoog. Niet bepaald een gevolg van een natuurwet van aantrekking en afstoting, maar wel sociale conventies dat we elkaar niet te dicht willen naderen of raken.

Die oefeningen zijn, eerlijk gezegd, ook een reden geweest om mee te doen. Of ik ooit toneel ga spelen, weet ik zo zeker nog niet (alhoewel deze voorstelling geen tekst heeft en de spelers vermomd/gekostumeerd zijn). Maar iets anders heb ik wel bevestigd gezien: theatermaken laat je even uit de dagelijkse sleur stappen, uit je rituelen, uit je identiteit. Dat opent tal van perspectieven waarmee ik, samen met enkele anderen in Leiden, ongetwijfeld iets ga doen (even cryptisch, want we willen niet álles weggeven). Elkaar lichtjes aanraken, elkaar volgen… je overwint een drempeltje.

Dat wordt geen sinecure. Om te komen waar we willen, zal het nodig zijn om beleidsmakers te overtuigen. Maar óók theatermensen. Waar de een waarschijnlijk last zal hebben zich voor te stellen wat we voorstaan, zal de ander zich verzetten tegen devaluatie van hun professie en vakmanschap. Beide hebben gelijk…. áls de balans te ver doorslaat. De uitdaging zal zijn de balans te handhaven en daardoor nieuwe kansen te creëren. Ik ga in elk geval een theatermaker uitdagen zélf uit z’n comfort zone te stappen.

In oktober komt er een weekeinde waarin weer wordt geprobeerd. Als het even kan, doe ik mee. Het is een weekeinde en dus eigen tijd. Blijft wel de drempel dat de reis naar de andere kant van Nederland, en weer terug, begrotelijk is. Maar daarvoor hebben we al decennia het carpoolen. Hopelijk kom ik weer een millimetertje dichterbij het antwoord op de vraag hoe je creëert.

Het omgedraaid Leids bushokje

Bij innovatie denken veel mensen meteen aan Grote Uitvindingen. De telefoon, elektriciteit, atoombommen, de ontdekking van het wiel, het pokkenvaccin, ze komen meestal wel voorbij. Of de Industriële Revolutie en het Internet. Meestal zijn het grootse dingen en meestal zijn het uitvindingen.

Innovatie hoeft niet per sé nieuw te zijn. Innovatie moet wel nieuw zijn in zijn gevolgen of mogelijkheden. Apple is een beruchte. Dat bedrijf innoveert door slim te combineren wat al beschikbaar is. Voor de paperclip is nooit een nieuw materiaal ontwikkeld noch een nieuwe techniek ontwikkeld; wel een heel slimme buiging.

Innovaties kunnen in heel kleine veranderingen zitten. Maar wel veranderingen die – relatief grotere – effecten hebben. Het innovatieve aan Apple zijn niet de apparaten op zich, maar wel de herpositionering van de computer ín het huishouden – de iMac was toonbaar in de woonkamer – of de mobiliteit – na de iPhone is er niemand die nog vreemd opkijkt van een computer in je broekzak. Die kleine aanpassingen maken het ook zo lastig innovatie te onderscheiden van marketing; de mensen die menen dat wij altijd ‘iets nieuws’ willen. Daardoor staren jij en ik naar reclames over slimme, zelfnadenkende tandpasta’s, diamantstof als huidschuurmiddel in de crème of koffie die ook ons haar oppept.

Lachwekkende onzin.

Toch moet je oppassen de kleintjes niet meteen allemaal af te doen als onzin. Misschien zijn ze niet allemaal spectaculair; ze kunnen best handig zijn.

Vandaag moest ik wachten op het doen van een oogmeting. Omdat het erg mooi najaarsweer was, ben ik voor de winkel in het zonnetje gaan staan. De winkel ligt aan een straat die weer eens wordt her-ingericht in een (wanhopige) poging ‘m aantrekkelijk te maken: andere lantaarnpalen, ietsiepietsie aangepaste stoep, haast onzichtbare ‘historische elementen’ die worden terug gebracht. Zo’n straat gaat dan helemaal op de schop.

Ik blijf van mening dat er teveel energie in wordt gestoken, maar op (minstens?!) één punt zag ik vandaag wel iets innovatiefs: de bushokjes. Die zijn ‘omgekeerd’ en naar de winkels gericht. In eerste instantie, denk je, ‘ze staan verkeerd om’. Dat is niet zo.

In de oude situatie stonden ze conservatief met hun rug naar de winkels, beschutting biedend aan de wachtende reiziger. Als je weet dat daardoor áchter de bushokjes een loopruimte overbleef van zo’n anderhalve meter, dan zie je de flessenhalzen al ontstaan. Winkels áchter de bushokjes hadden de slechtste plek die je je zo ongeveer kan bedenken.

Nu zijn ze dus omgedraaid, de bushokjes. Maar dat niet alleen; ze zijn ook open. De ontwerper beledigend: het is een dak met twee zijkanten.* Want informatie en reclame moeten we natuurlijk nog steeds kwijt. Nog steeds is het geen oplossing voor ‘een bushok op een smalle stoep’, maar het zou wel tot effect kunnen hebben dat de stoep breder óógt. En dat je als wachtende niet suffig naar het wegdek staart tot de bus komt.

Het bushokje omdraaien. Kan het kleiner, anders dan het bushokje weghalen, de stoep verbreden of de halte verplaatsen? Maar ik vind deze oplossing veel uitdagender, vooral omdat-i convénties ter discussie stelt. Waarom zou een bushokje moeten zijn zoals-i altijd was?

Mijn enige wens zou nog zijn een soort van rolluik waarmee bij regen en sneeuw tijdelijk! tóch nog meer bescherming wordt geboden.

* Een paar dagen later heb ik de vormgeving nog eens beter bekeken. De strekking van de blogpost verandert niet, maar het bushokje is best wel anders dan “een dak met twee zijkanten”. Het is een veel ijler geheel, veel opener en transparanter, waarbij een halve ‘achterwand’ het enige gesloten platte vlak is en het dak verder wordt ondersteund door dunne balken.

Vergetelheid

Jij, lezer, en ik zijn gedoemd in vergetelheid te verdwijnen. Waarschijnlijk is dat de meest verstandige houding en verwachting. Statistisch gezien gaat maar een fragmentje van de wereldbevolking postvatten in het collectief geheugen van de geschiedenis. De massa verdwijnt; alsof ze er nooit waren, nooit leefden.

Ergens in je schoolcarrière heb je vast zoals alle pubers het idee gekoesterd dat je iets groots, meeslepends en wereldschokkends gaat doen in je leven. Dat jouw naam wordt gebeiteld in de geschiedenis. Da’s een leuk voornemen en een onwerkelijke ambitie. Dat van sommige Historische Figuren is vastgesteld dat zij “al vanaf hun jongste jeugd wísten dat zij dit zouden gaan doen”, hoort toch echt in de categorie drogredeneringen om te bewijzen dat die ambitie wél werkt. Talloze jongeren willen beroemd worden; enkelen lukt dat. Terugkijkend – ex post – lijkt een carrière een lijn te volgen, maar vooraf – ex ante – is die niet te voorspellen. En alleen dat ex ante maakt de redenering interessant.

Het zou heel veel rust brengen als we ons neerleggen bij de idee dat we gewoon leden van het klootjesvolk zijn, heel gemiddeld. Daar is niets op tegen. Dat is geen veroordeling. Het is realiteit.

Eerder heb ik al eens geschreven over de veranderende verwachtingen die het Internet met zich meebracht. We kunnen zelf produceren en publiceren. Als je dan zelf denkt dat jij die Grote Belofte bent, dan zie je de bui al hangen. Schrijf een blog, een boek of maak een muziekvideo op YouTube, en de wereld zal je ontdekken. Pijnlijk. Zo gaat dat niet. Ook tegenwoordig blijft 99,9% onbekend. Frustrerend als je zelf hoopte op eeuwige of anders minstens wereldroem.

Van wat wij nu doen en produceren, zou een snippertje overblijven voor de mens van de toekomst. Dat is althans de situatie zoals die bestond. Er was geen medium dat oneindig bestond en zorgdroeg voor een geheugeneffect. De tijd vrat alles op: papier, celluloïd, magnetische banden, … In de loop van de tijd verdween het. In mijn huis bijvoorbeeld zijn de zilvervisjes al begonnen aan het verorberen van papier. Ik en mijn geschiedenis gaan vervagen.

In dit licht bezien is het erg vreemd wat nu gebeurt met Google.

Dat vervagen is een goed ding. De oproepen om in deze tijd van ‘oneindigheid’ vooral na te denken over eindigheid en het recht om vergeten te worden, zijn meer dan terecht. Wat ís het gevolg van niets meer vergeten? Wat is het voordeel van vergeten en opnieuw ontdekken?

Dat is een principieel andere insteek dan waar Google mee wordt geconfronteerd. Dat wordt geconfronteerd met iets heel anders: individuele verzoeken om bepaalde informatie en -vragen uit z’n databestanden te verwijderen. Dat is net zoiets als de prachtige voorbeelden uit Oost Europa van gemanipuleerde foto’s waaruit topsporters en regeringsleiders verdwenen. Geretoucheerd; tegenwoordig gePhotoshopt. Dat is de weergave van de werkelijkheid manipuleren, oppoetsen, mooier maken.

Ik ben daar mordicus tegen. Wat gebeurde, gebeurde.

Interessanter is die andere vraag. Zijn we in staat het gedrag van de zilvervisjes te imiteren? Zonder naar de inhoud te kijken verdwijnt de inhoud doordat de drager verdwijnt. Met Internet gebeurt dat niet. Er verdwijnt – op den duur – niets (of althans heel veel niet). Het gaat helemaal niet over Google. Het gaat over het willekeurig en onomkeerbaar laten verdwijnen van informatie.

Inderdaad. Dat maakt een heleboel moeilijker. Maar het maakt ook dat wij, mensen, ons weer realiseren hoe klein en tijdelijk we zijn, dat we niet állemaal in geschiedenisboeken zullen passen en dat het goed is dat we feiten en ontwikkelingen (kunnen) vergeten. Blijkbaar waren die niet de moeite waard om herinnerd te blijven.

NB
Vijftien minuten nadat deze blogpost is gepubliceerd, wijst Nine Connections op een artikel over zichzelf vernietigende berichten à la Snapchat. Het is Facebook dat dat doet.

Het stadsjongetje en de hondenmeneer

Een typisch stadsjongetje was het, vind ik. Z’n ouders leken dat ook te vinden; haar dat halflang, donkerblond en met gekrulde lokken wordt gedragen. Een stijl die je zomaar ook in Wassenaar aantreft als statement voor vrije geesten. Dit jochie had iets van Pietje Bell; alsof-i net ijs had gegeten en met de kring gesmolten chocolade-ijs om z’n mond was weg gegaan. Geen tijd om schoon te maken.

Hij zal iets van elf jaar zijn: een jochie op een fiets die nog nét een slag te groot is. “Op de groei gekocht”. Zo eentje waar je wel goed op kunt fietsen, maar waar je met moeite opstapt. Je kunt er wel al net zo hard mee als op een ‘echte fiets’. Het meest lijkt het op zo’n servet-tafellaken-situatie: het een niet meer, het andere nog niet.

Hij moest de straat oversteken, vlak nadat de spoorwegovergang open was gegaan. Dan heb je even meer verkeer door die straat. De verkeersgolf was al voorbij. En dan zie je plots een jochie van een jaar of elf oversteken. Zo’n beeld dat je tientallen keren kunt zien.

Het was niet het jochies uiterlijk of z’n fiets die me frappeerden, maar z’n alertheid. Een echt stadskind dat weet wat een stad ís. Het is een soort toegevoegde laag. Een laag die je eigenlijk pas herkent als je een vergelijkbaar kind uit ‘een dorp’ ernaast zet. Je kunt het streetwise noemen, maar persoonljk vind ik dat teveel het schoffieskarakter benadrukken. Het is veel meer een kind dat qua ervaring verder is dan de kinderwereld, meer op de hoogte van de echte wereld en z’n gevaren. Dat wil niet zeggen dat die kinderwereld er niet meer is.

Het deed me denken aan m’n eigen verhuizing uit de stad naar een dorp. De afkeurende opmerkingen over taalgebruik: meer dan vijftig jaar later weet je nog steeds dat die zijn gemaakt. Maar ook mijn eigen beeld van het dorp: waar ze ietwat simpel leken te zijn.

In de honderd meter dat-i voor me fietste, flitste dat door me heen. Bij iedere beweging die hij met z’n grote fiets maakte, keek-i goed om zich heen. In tegenstelling tot heel wat volwassenen passeerde hij geen andere fietsers zonder eerst om te kijken. Aan de manier waarop-i dat deed, zag je dat-i goed wist wat (verkeers)gevaar is.

Net op het moment dat ik dacht “die red het wel in de wereld” reed-i rechtdoor waar de weg rechtsaf ging. Zonder z’n hand uit te steken. Op één van de gevaarlijkste plekken die Leiden kent. Er was geen auto te zien, da’s waar.

Elders in de stad heb je meer van die plekken, waarbij doorgaand verkeer feitelijk een bocht maakt maar wel voorrang heeft. Als je daar rechtdoor wilt, is het best link. Je slaat af en staat ‘tegen de weghelft opgesteld’. Het voelt alsof je een stilstaand doelwit bent.

‘s Middags dacht ik dat iemand dat doelwit letterlijk opvatten. Op de weghelft van het tegemoetkomend verkeer en een meter of twee ná de bocht stond een man. “Die is gek”, denk je dan, “want een automobilist zal je nét te laat zien.”. Daar ga je toch niet staan?

Het was nog gekker. De reden dat de man daar stilstond, stond naast hem. Een hond, zo groot als een veel te dikke big, die nodig moest en had besloten dat dáár te doen. En dan heb je weer zo’n beeld: een dikke bulldogteef die gehurkt haar plasje doet midden op de rijbaan en een baas aan het lijntje die er met z’n grijze haar en grijze snor schaapachtig bij staat te grimassen. Een volslagen zot beeld.

De man ademde met z’n grimas ook iets uit van ‘ik kan er ook niets aan doen’. De tien kilo vlees bepaalde blijkbaar wat er gebeurde. Op een weg die, als honderd meter verderop het verkeerslicht groen zou geven, vol zou lopen met auto’s.

Het jochie. De man. De stad.

Handicap is een kwestie van erkennen

Vandaag was ik op zoek naar een nieuwe bril. Omdat de huidige me steeds minder een goed zicht gaf en omdat de twee pootjes de afgelopen drie, vier maanden braken. Die heb ik met superlijm weer vastgezet. Maar dat zicht lijm je niet. Temeer omdat m’n ogen beter zijn geworden de afgelopen drieëneenhalf jaar. Da’s minder, want beter betekent dat de huidige bril te sterk is geworden. Een typisch geval van een bijziende oudere; zelfs vooruitgang is nadelig. De conclusie bleek dat links rechts dwars zat door ongeveer één dioptrie er op vooruit te zijn gegaan. “U kunt beter met de leesbril gaan lopen, want die is zwakker”.

Dan krijg je meteen het gelazer van de kosten en vooral van het montuur (de superlijm, niet vergeten). Ik moet een nieuwe uitzoeken. Daar komt veel bij kijken: je gewenste imago, je bestaande imago, de mening van je naasten, en die van de opticien, de keuze uit monturen waarin je (kunststof)glazen kunnen worden gezet, en de kosten. Ik geloof dat we nu rond de €800-€900 zitten, hetgeen wel €200 minder is dan de vorige.

Dit?
foto 1

Maar wat me enorm dwarszit, al jaren, is dat ik niet serieus word genomen. Sterker, de verzekeraars proberen me naar grote optiekketens te manoeuvreren. Ketens die níet de glazen aanmeten en leveren die we zoeken. Ketens die brillen zien als producten en niet als hulpmiddelen. Onzin? Een bril meet je aan door veren, neuspads en poten af te stellen; niet door ‘m te overhandigen met ‘Veel plezier ermee’. Oogmeting? Alleen als u hier koopt. En dan nog doen we het onzuiver. Oogboldruk meten? O ja, dat kan hier ook. Mijn ogen zijn me zoveel waard dat ik wil kiezen wie ermee bezig is, zoals ik m’n huisarts ook koos.

Of dit?
foto 3

Ik, wij brildragers, zijn feitelijk gehandicapt. Maar we krijgen niet de oplossing daarvoor vergoed.

Mijn verzekeraar vergoedt iedere drie jaar iets van €100-€150. Die periode kan ongeveer kloppen, want mijn vorige bril is ongeveer zo oud. Maar dat bedrag betekent dat ik een half glas kan kopen in de goedkoopste uitvoering. Glazen zoals ik die nodig heb, kosten rond de €340, per stuk. Dat zijn gewoon goede glazen die goed zicht geven. En om goed zicht gaat het toch? Goedkoper kan, hoor. Glas in plaats van kunststof: kwetsbaarder en vooral zwaarder. Of met minder vloeiende overgangen – multifocaal, hè – of beperktere zichtgebieden. Allemaal verminderingen van het zicht en comfort. Alsof je rolstoelen met ovalen wielen net zo goed bruikbaar vindt als met ronde.

Het is eigenlijk vreemd. Met m’n -7’s en cylinderaanpassingen zie ik zo goed als niets zonder bril. In elk geval niet veel meer dan silhouetten, maar details als kleding op tien meter afstand toch echt niet. En het kan allemaal erger. Het eind van dat liedje is dat brildragers met dergelijke glassterkten – en hoger – zich zonder bril niet kunnen redden in het maatschappelijk verkeer. Volgens mij ben je dan gehandicapt!

“Maar dan zouden ik weet niet hoeveel mensen gehandicapt zijn en recht moeten hebben op vergoeding?!” Precies! En het geeft aan hoe Het Systeem werkt: we definiëren iets weg. Niet de vraag of het je sociaal hindert, maar de vraag of we het willen bekostigen is leidend. Feitelijk heel raar.

Overigens is dit inderdaad een pleidooi om dat te veranderen. Maar dan wel zo dat de klant de keuze heeft. De vergoeding zou qua glazen optimaal moeten zijn, want dát is het hulpmiddel. Het montuur hoeft niet vergoed: daarin zijn teveel smaken en soorten. Maar als richtglas zou moeten dienen het glas dat maximaal zicht herstelt en dat comfortabel is. Laat me zelf kiezen bij wie ik dat bedrag besteed.

Zie ik dat gebeuren? Nee. Want de bril wordt na al die jaren helemaal niet meer gezien als een hulpmiddel. Totdat je zelf slecht gaat zien.

Een levende stad

Blogde ik gisteren over sociale-archeologie; vandaag zat ik weer te grasduinen in de foto’s die ik in steden maak. Veruit de meeste daarvan zijn echt herinneringskiekjes. Van die foto’s die je, soms heel impulsief, maakt als je iets ziet en je weet dat je dat gaat vergeten áls je niet……. Dat soort foto’s.

Sommige zijn met knippen en andere bewerkingen nog een beetje acceptabel te maken. Ik ben er niet gefocust en vakman genoeg voor om direct bruikbare beelden te maken. Als je er een aantal maakt, zijn daartussen echter altijd wel leuke te vinden.

Het zijn die beelden die mij boeien. Groots, verborgen, petieterig klein: alles kan. En soms is het maar even echt mooi, of in het echt nog véél mooier. Deze bijvoorbeeld knalde eruit doordat de zakkende zon vooral het stuk beschilderde muur bescheen:
foto

Eén van de mooiste schilderingen vond ik deze. De boom hoort er gewoon bij:
Photo 26-08-14 18 04 28

En voor deze ben ik met m’n ontstoken voet zelfs terug gelopen omdat ik na tweehonderd meter ineens bedacht: “Maar dat was een collage, op die buitenmuur achter de steiger”:

Photo 26-08-14 19 36 28

Ik weet ‘t. Het zijn geen prijswinnende foto’s. Dat hoeft ook niet. Het zijn privé kiekjes. Voor deze keer gebruikt om jou te laten zien dat de stad leeft, als je ‘m de kans geeft.