Het gesprek met de onbekende

Negentien jaar heb ik geforensd tussen Leiden en Utrecht, een jaar of drie tussen Leiden en Rijswijk, en een krappe driekwart jaar tussen Leiden en ‘s Hertogenbosch. Het lijkt me dat ik wel enige forens-ervaring heb.

Forensen is een bezigheid die voor degene die een beetje oplet, een bron van vermaak en verhalen is. Er gebeurt eigenlijk altijd wel iets. Maar wat de meeste forensen opvalt, is dat er zo weinig contact is. We stappen in en ‘doen ons ding’.

Van Leiden-Utrecht kan ik me vooral herinneren dat na verloop van jaren heel veel mensen elkaar van gezicht kennen en ook bijna altijd dezelfde wachtplek op een perron kiezen en dezelfde zitplaats in de trein. Maar elkaar bijna nooit spreken.

Eigenlijk maf. Dé momenten om elkaar kort te spreken, waren de verstoringen. Bij dat van buiten komend onheil treden al die psychologisch processen in werking die horen bij onzekerheid. Er is een aanleiding om contact te zoeken; net zoals jonge kinderen aanleiding zijn voor contact maken, of dieren. Maar zo, zonder aanleiding elkaar aanspreken? Nee, dát doen we niet.

Laat ik duidelijk zijn: ik deed en doe het ook niet (vaak). De treinreis heen was in mijn geval net lang genoeg om de krant te lezen (minus de sportpagina’s). De terugreis was ik vaak versuft door het kantoorklimaat,samen met zo te zien de rest van de coupé. Dan heb je niet zoveel behoefte aan een gesprek.

Dat is precies de gedachte die ik had toen ik las over een psychologisch experiment/onderzoek, dat aantoont dat die gesprekken het reizen juist aantrekkelijker maken. In tegenstelling tot wat werd verwacht en in tegenstelling tot de algemene notie dat het ook niet hóórt, vreemden aankijken en vreemden aanspreken.

In het artikel wordt benadrukt dat op een steeds dichter bevolkt rakende planeet – enigszins dramatisch geformuleerd – juist die (kennis van) sociale interactie van groot belang is. Drukke omgevingen met stampvol openbaar vervoer zou in die optiek baat hebben bij pratende mensen, die voor elkaar de reispijn verzachten.

Stel dat dat waar is. Voor mij blijft er dan toch echt nog een vraagteken staan. Op de plek van de vraag ‘waaróver begin je dan?’.

Dat is toch wel een cruciale vraag, lijkt me. Als je dat verkeerd doet, dan pakt je goedbedoelde actie wellicht faliekant verkeerd uit. Dan ben je ineens opdringerig. Of vreemd. Je moet wel een goede aanleiding hebben.

Jaren geleden zat ik in de trein terug te lezen in Why Everything Bas Is Good For You toen de jongen die naast me zat me vroeg waar dat boek met die intrigerende titel over ging. Dat werd een leuk gesprek. En ik ben een keer aangesproken door een jongedame die wilde weten wat dat “zo leuk vormgegeven apparaatje” voor diende. Dat was een gekraakte mifi (zoiets als deze) en dat gesprek stokte al vrij snel.

En dan zijn er al die keren dat ikzelf eigenlijk wel iets zou hebben willen zeggen, maar de woorden niet vond. Het is net anders dan op een conferentie of receptie, waar je kunt vragen waarom de ander daar is. Om die vraag in de trein naar Utrecht te stellen, komt toch anders over lijkt me.

Een paar jaar geleden heb ik al ‘s iets geschreven over het probleem. Het probleem van sociale conventies die het moeilijk maken je te uiten. Want sommige dingen ‘zeg je niet’.

Toch is het onderzoeksresultaat waar. Ik heb zelf gemerkt dat je in een andere rol véél makkelijker mensen aanspreekt. Alsof je buiten jezelf staat. Journalisten en fotografen kennen het verschijnsel (vast). Dat zou betekenen dat de belemmering sociaal en aangeleerd is. En dus af te leren.

Eerlijk gezegd, spreek ik steeds meer mensen aan. Nog lang niet zoveel als ik zou willen. En ook vaak nog de foute (de aso automobilist bijvoorbeeld). Maar het gebeurt. En het is waar: met uitzondering van die aso automobilist zijn het eigenlijk altijd leuke gesprekjes.

Er blijkt niks engs aan het aanspreken van wildvreemden te zijn.

Laat die ambitie toch varen

Het is een populair op conferenties en workshops: de topsporter die komt uitleggen hoe hij of zij dat bereikte. Altijd leuk, want de organisator krijgt het vaak voor elkaar zo iemand ook nog te laten zeggen dat volharden een belangrijke factor is. Slim verpakt, kom je de boodschap tegen dat hard werken en je uiterste best doen je naar je doel brengen. Een betere motivatie voor je medewerkers kun je je haast niet voorstellen: een beroemdheid die je medewerkers duidelijk maakt dat hard werken góed is.

Het is onzin!

Een paar jaar geleden schreef, naar ik me herinner Wired, er al over. De aandacht voor de verhalen van succesvollen als leerstof voor niet-succesvollen is onzin. De gedachte die aan die aandacht ten grondslag ligt, gaat er van uit dat dat gebleken succes extern valt te verklaren. Ofwel: het is aan te leren door je uiterste best te doen. Wat te vaak wordt veronachtzaamd, is de factor aanleg. Het wordt niet vergeten, maar speelt in die theorie slechts een marginale rol.

Al die jochies die fanatiek voetballen in de hoop ooit wereldberoemd voetballer te worden. Al die ouders die hun kinderen als paarden aansporen hun uiterste best te doen een Bijzonder Mens te worden, hetzij sportief hetzij intellectueel. IJdele hoop. Die ene toevallige passeerbeweging is geen indicatie voor een nieuwe topvoetballer, maar ouders hebben de neiging strohalmpjes te grijpen. En dus pieken de aantallen hoogbegaafden.

Dat appeleren aan ambitie is zo heerlijk doorzichtig dat het verbazingwekkend is dat er nog zóveel mensen serieus op in gaan.

Niet om jou, lezer, te beledigen, maar je zult echt nooit tot de top gaan behoren. Waarom zou je je daarom wel daarnaar gedragen en je daarvoor inspannen?

De slimste houding is de wijze lessen van top-sporters en top-ondernemers níet te beoordelen als wíjze lessen, maar als leuke wetenswaardigheden over het leven en loopbaan van talentvolle types. Ze zijn immers geen gemiddelde voorbeelden, maar uitbijters, extremen, exoten.

Een paar dagen geleden schreef ik over goal setting als methode die verkeerd kan uitpakken. Dat geldt in sterke mate voor deze voorbeelden. Mensen voorbeelden voorhouden waarvan overduidelijk is dat zij die nooit zullen evenaren, zal averechts werken. Het is daarom een Groot Raadsel waarom ex-sporters menen (beter) organisatie-advies te kunnen geven vanwege hun specifieke sportieve inspanning.

Het is veel verstandiger te weten waar jóuw grenzen liggen, wat jóuw ambities zijn en wat jíj daarvoor wilt opofferen.

Voor werkgevers is het verstandig zich ook af te vragen of zij wel over voldoende middelen om top-kwaliteit in huis te hebben, halen en houden. Want de niet-genoemde kant van die topdogs is wel dat zij een aantal factoren méér verdienen dan de gemiddelde werknemer.

Dat is het idiote aan al die voorbeeldmensen. Ze dienen vooral als voorbeelden voor wat ambitie, inspanning en volharding teweeg kunnen brengen. Maar systematisch wordt vergeten wat dat kóst. Zoals zo vaak: alleen de voordelen worden benadrukt.

Misschien moet eens worden gekeken naar die kosten: de gekreukte en gekwetste kinderen, de opgebrande en naar de concurrent vertrokken werknemers.

De kruideniersmentaliteit van werkgevers

Wellicht moeten we hen toch eens met andere ogen gaan bekijken: werkgevers.

Een oplossing voor de crisis is nog niet in zicht. De cynicus verwacht dat die ook niet zal komen, maar dat wordt afgewacht tot de crisis weg gaat. Een formulering die past bij een beeld van een doodnormale straat waar mensen wonen die wachten tot die overlast gevende buurman weggaat. De buurman waartegen ze geen verweer hebben. Een ingrijpen van buiten is nodig. In de verhalenkunde wordt dat de deus ex machina. De televisie-detective bestaat zowat bij de gratie van het konijn uit de hoge hoed: hij is degene die nu net die ene aanwijzing te weten komt die ons kijkers al die tijd is onthouden.

Economen hebben wel iets (gehad) met deze stijlfiguur. De goddelijke hand en andere black boxes vullen de hiaten in. De nieuwe termen zijn ‘innovatie’ en ‘entrepreneurschap’. Vernieuwing en ondernemingszin zijn de benodigde wonderen. De oplossing zit daardoor ongeveer op het niveau ‘er is een oplossing nodig’. Blijkbaar is er niemand die hardop zegt ‘we hebben geen flauw benul en hopen op een wonder’.

Nu wordt het tijd wat anders te kijken en eerlijker te zijn.

De ondernemers, de werk-gevers, kunnen het niet. Niet dat zij de crisis veroorzaakten – dat waren banken – maar zij zijn het wel die (teveel en) te optimistisch wilden geloven in de geboden kredieten en mogelijkheden. Zij pasten hun concept van ‘ondernemen’ aan en verschoven naar risicovolle ondernemingen met als prioriteit ‘eigen inkomen eerst’. In dat opzicht zijn ook de ondernemers schatplichtig, zeker de grote, anonieme ondernemingen.

Zij zijn het niet die het wonder gaan bieden. Sterker, zij maken gebruik van de situatie. Gebruik om als echte kruideniers uit de jaren vijftig een slaatje te slaan uit de situatie. Massaal dumpen ze personeel. Dit zijn niet de mensen of bedrijven die hoop kunnen bieden, als herstel voor herstel van eigen inkomen is.

Wellicht moeten we anders kijken en zien dat die werkgevers feitelijk degene zijn die op kosten van de samenleving bestaan. Zonder moeite, zonder scrupules en vooral zonder al teveel kosten lozen ze personeel, dat daarna ten laste van de samenleving komt. Veel principieel verschil met het gedrag van mensen die vinden dat ‘de overheid er is om de straat schoon te houden’ en dus alles op straat mieteren wat ze niet meer nodig hebben, is er niet.

Als ondernemer niet ook je éigen salaris aanpassen, is kwalijk. Je risico-gevolg afwentelen en zelf niet nemen, is dat ook. Bijzonder kwalijk zijn degene die daarna drogredenen hanteren om toch vooral onaangepast verder te gaan.

De werkgever die de opengevallen vacatures publiek maakt; plots als vrijwilligerswerk. In de zorg is dat een publiek geheim. Functie worden afgepeld en afgepeld. Iedere afgepelde laag is vrijwilliger-geschikt.

De werkgever die de idee fixe aanhangt dat jong beter is, daarom oudere collega’s de deur uit schopt en soms zelfs de brutaliteit op brengt hen als zzp’er weer in te huren.

Jong is beter ís een idee fixe. Dat is een idee wat voor 100% is gebaseerd op kostenoverwegingen. Jong is goedkoper: dát klopt. Beter is baarlijke nonsens.

Wat de oudere biedt en de jongere niet zijn zaken als:
flexibiliteit: de kinderen leveren geen slapeloze nachten meer op, geen slaaptekort, geen zorgen en veroorzaken geen dúbbele kans op ziekteverzuim;
ambitie: de oudere hoeft zichzelf niet te bewijzen over de ruggen van anderen, door roddel en achterklap, stapt niet snel over naar ‘een betere kans’ (voor zichzelf);
kennis: je zult versteld staan hoeveel kennis helemaal níet nieuw is en hoeveel kennis wel wordt gepresenteerd als nieuw. Dat zien en wegen, eist ervaring. Daarvoor bestaat maar één weg: ouder worden;
dreiging: de jongere gaat het beter doen dan z’n collega’s, z’n leidinggevende, z’n baas: dát is een uitgangspunt. De oudere hoeft zich niet te bewijzen. Die weet een echt team op waarde te schatten.

Dát is de kruidenier die ons níet gaat redden. De man of vrouw die uitsluitend naar zijn eigen, kortetermijn belangetjes kijkt en alles wat hij of zij ziet als afval op straat mietert om door anderen te worden opgeruimd.

De spannende vraag is dan ook helemaal niet wat de bestaande ondernemers doen, maar welke recycler iets kan met dat ‘afval’.

Als letterlijk fout is

Later on, when they had all said “Good-bye” and “Thank-you” to Christopher Robin, Pooh and Piglet walked home thoughtfully together in the golden evening, and for a long time they were silent.
“When you wake up in the morning, Pooh,” said Piglet at last, “what’s the first thing you say to yourself?”
“What’s for breakfast?” said Pooh. “What do you say, Piglet?”
“I say, I wonder what’s going to happen exciting to-day?” said Piglet.
Pooh nodded thoughtfully. “It’s the same thing,” he said.”
― A.A. Milne, Winnie-the-Pooh

“Met mij kun je alle kanten op. Mij maakt het echt niet uit.”
“Echt niet?”
“Nee, écht. Ik vind alles goed.”
“Zeker? Ik doe het graag, hoor. Geen enkel probleem.”
“Nee, nee. Het is goed.”

Als je een béétje empathisch bent aangelegd, heb je zulke dialogen vast weleens gevoerd. Dit is er eentje van deze week. Het gaat over de tijd van thuis gebracht worden. Het is een dialoogje waaruit (later) weer ‘s bleek hoe gevaarlijk het is iemand letterlijk te nemen, z’n woorden voor waar aan te nemen en niet te wegen, zelf na te denken. Het is als de baas die je verleidt dingen (toe) te zeggen die je niet meent, niet hélemaal zult kunnen waarmaken, waarvan je de reikwijdte niet helemaal overziet. Maar waar je wél aan wordt gehouden.

Het gebeurt zó vaak en het gebeurt zó vaak fout. Het is deels een gevolg van ons haastgedrag. Snelle beslissingen en snel handelen hebben een mythische status gekregen, in de slechte betekenis van onbewezen. De collega die doordramt op z’n eigen standpunt, de baas die woordspelletjes speelt om je ‘vast te zetten’. “Maar je hebt zélf gezegd dat het kan..!” Hele contexten, hele discussies weggeveegd tot die ene zin blijft staan. Het zijn echt psychopathische trekjes; misschien niet zo opvallend doordat ze zo vaak voorkomen. Maar ga er maar eens op letten, op het “Maar jij zei…”.

Natuurlijk heeft dat binnen organisaties ook alles te maken met lafheid en afschuifgedrag. Een sterk mens heeft het helemaal niet nodig. Die weet wat de waarde van onzekerheid, twijfel en fouten is. Het zijn de zwakke broeders die woordspelletjes, contractentaal en mierengeneuk nodig hebben. Overigens ben tot de ontdekking gekomen dat veel van de mensen die ‘zo’ zijn abominabel slecht Nederlands schrijven, terwijl zij zichzelf (te) hoog achten. Moet ik toch ook ‘s uitzoeken.

Dat is een uitwas van letterlijk nemen: het (bewust) pakken op woorden.

Toch doen we het allemaal. Niet zo systematisch als hierboven – alhoewel ik benieuwd ben hoe die werknemers zich in hun privé leven gedragen – maar we dóen het.

Het zijn de momenten waarop een keuze moet worden gemaakt en iedereen wordt gevraagd positie te kiezen. Díe positie kun je niet altijd even zwaar wegen. Kinderen zullen bijvoorbeeld de neiging hebben dat te antwoorden wat zij denken dat gewenst is. Da’s niet hetzelfde als hun eigen mening.

De beruchte dominante schreeuwers in de samenleving kunnen ook heel goed de wat timidere mens imponeren. De mensen die zijn opgevoed met de idee dat de wijste altijd de lieve vrede moet bewaren. En de ouderen die wel heel vaak niemand tot last willen zijn. Kijk altijd verder dan wat letterlijk wordt gezegd. Sterker, probeer je voor te stellen wat níet wordt gezegd.

Weet je wat nu eigenlijk zo vreemd is? Dat het me is opgevallen dat de letterlijkheid al decennia lijkt toe te nemen? Nee, dat niet. Wel dát het zo is. Want als je het anders formuleert: het lijkt er op dat we steeds minder (ontvangst)gevoelig worden voor onderliggende boodschappen in de taal, voor de ander. Is dat vreemd? Voor mij wel, want het zou betekenen dat ons gedrag steeds meer geformaliseerd gedrag wordt. Geen wereld van robots; wel een wereld van functionele mensen met instrumenteel gedrag. Maar waar blijft in zo’n wereld wat we écht willen? Al die gedachten en ideeën die ook jij vast hebt, maar voor je houdt.

Die mevrouw?

Ze aten altijd vroeg en om iedereen op haar te laten wachten, is ook zo wat. Het maakte haar wel degelijk wat uit hoe laat ze thuis was. ‘met mij kun je alle kanten op’?! Nogal wiedes als je niet tot last wilt zijn, ook als je daardoor wellicht een wárme maaltijd misliep.

De mythe van de spaarlamp

Genaaid; we zijn genaaid. Niet alleen ik, maar ook jij bent een oor aangenaaid, denk ik.

In Nederland is de gloeilamp in de ban gedaan. Sinds bijna twee jaar heeft de Europese Unie de gloeilamp verbannen. De reden is weer eens zuiver rekenkundig: de gloeilamp springt ondoelmatig om met energie. Slechts tien procent van de energie wordt licht, de resterende negentig wordt warmte. Als je licht zoekt, is dat inderdaad een teleurstellend resultaat. En dus is-t-i verbannen ten faveure van de spaarlamp.

Inmiddels ben ik er aardig aan gewend. Op zolder ligt een voorraad gloeilampen, maar waar het kon is nu een spaarlamp ingedraaid. Voorraden hebben wat mij betreft alleen zin als een noodzakelijk product ook echt helemaal verdwijnt. In ons geval hebben we een aantal lampen met fittingen waarin van die schakelbordlampjes in moeten.

download

Ik heb het geprobeerd. Naast een kleine fitting hebben ze ook een klein lichaam. Zelfs de kleinste spaarlamp bleken we niet binnen het armatuur te krijgen. Gewoon te groot. Dan stak er een stukje lamp uit, of je kreeg het ding er gewoon niet ingedraaid vanwege ruimtegebrek. In dergelijke gevallen ben je dus genoodzaakt te hamsteren.

Op de meeste plaatsen in huis zitten nu echter de verplichte spaarlampen.

En ik heb me zelden zó belazerd gevoeld.

Het is me wat: twee gloeilampen voor €1 of één spaarlamp voor zo’n €3. Da’s een verhoging van 600% (toch?). En dat is dan nog de goedkoopste optie, want er bestaan ook nog duurdere lampen ter vervanging. Géén van die dingen geeft overigens dat wonderlijke jaren vijftig schemerlicht. Althans niet de makkelijk verkrijgbare in de supermarkten en zo. Gelukkig ben ik al wat ouder en heb om goed te kunnen lezen steeds méér licht nodig. Ik eindig met fel tl-licht in huis, verwacht ik. Dat verzacht het leed: “we moesten toch al over” (perfect staaltje cognitieve dissonantie).

Dan denk ik mijn steentje te hebben bijgedragen aan het tegengaan van energieverspilling, wordt dat meteen de bodem ingeslagen.

Die verdoemde spaarlamp is niets anders dan een grotere winstmarge voor de fabrikant of de winkelier. Op alle doosjes staat in ronkende bewoordingen hoeveel duizenden uren de lampen mee gaan. Dúizenden uren! En als om die claim kracht bij te zetten, geeft de fabrikant ook nog eens vier jaar garantie. Víer jaar. Op een lámp! Nou, dat kreeg de goede oude gloeilamp echt niet.

Mijn spaarlampen gaan geen uur langer mee dan de gloeilamp. Ik koop nog steeds net zo vaak nieuwe lampen, maar nu voor veel meer geld.

Daar kan ik woest van worden. Dat hele spaarlampcircus levert me niets op, maar kost me alleen.

De eerste keer denk je nog dat het komt omdat het spaarlampen van de HEMA waren – alhoewel hun producten eigenlijk altijd goed zijn – en schaf je een eerstvolgende keer echte Philips-spaarlampen aan. Die zijn geen haar beter (sterker, ik meen me te herinneren dat daarbij het kaarsje nog sneller doofde).

Inmiddels weet ik waar de beste oplossing te vinden is: bij de Action. De lampen zijn schandalig goedkoop, vast op de een of andere manier ‘fout’, en zeker niet langer brandend, maar de kosten-batenverhouding ligt lichtjaren voor op de rest.

Dat is dus het resultaat van beloften niet waarmaken. Ik gooi alles nu op één hoop en kies de voor mij voordeligste oplossing. Da’s de goedkoopste lamp; ook als die langzamer start en dus de bijna hele godganse dag blijft branden.

Van energiewinst is bijna geen sprake, maar ik heb wel het gevoel iets met m’n woede over die spaarlampverplichting te hebben gedaan.

Waarin Twitter vreselijk faalt

Al twee dagen niet geblogd. Niet omdat er niets gebeurde. Nog steeds is er iedere dag wel iets noemenswaardigs te vinden. Het is ook niet helemaal toe te schrijven aan de on-Nederlandse hitte de afgelopen dagen; alhoewel dat wel een verlammende uitwerking heeft (op mij). Nee, het is de combinatie van die hitte die me heel rustig in de schaduw deed zitten en de nasleep van het neerstorten van MH017.

Voor mij blijft Twitter een wond’re wereld. Niet te veroordelen, omdat het een afspiegeling is van onszelf. Net toen ik dacht dat Twitter wat indommelde tot een marketingkanaal, ontplofte de zaak. Jammer genoeg als gevolg van een aanleiding die nooit aanleiding had mógen worden. Maar ja, gedane zaken….

Vorige week is een vliegtuig uit de lucht gevallen en de wereld weet nog steeds niet precies hoe, waarom of wat nu te doen. Onzekerheid, onduidelijkheid, ongeregeldheid; alles wat te koppelen is aan wanorde is sindsdien aan de orde.

Dan toont Twitter zijn zwakte. Eigenlijk is dat onzin, want Twitter dóet niets. Net zo min dat je de telefoon of de brief de schuld kunt geven van de overgebrachte boodschap kun je dat met Twitter. Het is een neutraal medium. Het gebruik bepaalt zijn waarde en zijn gevolgen. Wíj zijn waarom het gaat.

Dan ben ik alsnog enorm verbaasd over wat we doen in een situatie als deze waarin emoties een belangrijke rol spelen. Dan wordt het versterkend effect van een massamedium wel erg duidelijk, en griezelig.

Ik heb mensen die ik ‘ken’ ruzie zien krijgen over wie nu wie manipuleerde. Ik heb mensen berichten zien geloven, en doorzenden, die aangetoond onjuist waren. Ik heb verklaringen zien ontstaan die nergens op waren gebaseerd en verklaringen die waren gebaseerd op interpretaties. Ik denk dat bijna iedereen in mijn tijdlijn is meegezogen; ook verstandige, nadenkende mensen.

Ik heb van dichtbij massahysterie gezien.

Mijn gevoel is heel ambivalent. Een medium als Twitter ís een kroeg, een receptie, een plek waar op een gegeven moment een heftige, emotionele discussie ontstaat. Misschien zijn de beelden van oververhitte volksvertegenwoordigers in andere landen wel het beste beeld. Mannen(!) die elkaar méppen; waarvoor woorden ontoereikende strijdwapens zijn (geworden).

In zo’n situatie maakt een massamedium als Twitter olie op het vuur mogelijk. Daarvan wordt sluw en smerig gebruik gemaakt door manipulatoren. De onbewijsbaarheid van veel stellingen maakt ook dat geruchten de wijsheid van de massa volledig lamleggen.

Natuurlijk moet je niet alleen naar de details kijken. De grote lijn, de rode draad, is ook interessant. Dan zie je ‘nederland’ draaien en zwenken. Net zo in verwarring als iedereen. Een discussie wie wat deed, gevolgd door ontzetting over trage reactie van onze regering, en daarna het dreunend besef dat er líchamen terug moeten komen, dat er hier families zijn die rouwen en treuren. De reacties zijn ook daar naar; in feite wordt geroepen om iemand die, iets dat de leiding neemt. ‘Als ‘zij’, de strijdende partijen, dat niet doen, dan moeten ‘wij’ dat maar doen’. Ook ik heb dat gevoel gisteren gekregen: dat machteloze weten dat anderen andere zaken belangrijker vinden dan jij en je niet helpen.

Wat mijzelf enorm begint te hinderen, is het geblêr en geschreeuw dat volkomen immoreel wordt gehandeld in het rampgebied. dat geloof ik dus niet als ik de verhalen van correspondenten ter plaatse lees.

Dan lees ik over dorpjes waar op een slechte dag een een vliegtuig en lijken uit de lucht vallen. Mensen, zoals de bewoners zelf. Dan lees ik van mensen die doen wat ook ik zou doen: helpen. Maar hoe? Als je mag verwachten dat hulp op zich zal laten wachten in een oorlogsgebied, dan doe je het logische. Je redt de overschotten en je probeert hun bezittingen bij elkaar te brengen. Dat je daarmee sporen wist? Dat je wellicht identificatie bemoeilijkt? Wees ‘s eerlijk: denk jíj daaraan als zoiets apocalyptisch om je heen gebeurt?

Wellicht zit ik er helemaal naast. Maar ik verwacht het niet; zeker niet nadat ik vandaag dit las The Wall Street Journal: Bodies Removed From MH17 Crash Site

The duty nurse at the morgue in Torez was surprised Thursday night when a man showed up in a Zhiguli with the injured and burned corpse of a young boy from the crash site. The man, who lived near where the plane debris landed, went to have a look after hearing the crash and came across the 5- to 7-year-old boy’s body in a field. He said he decided to bring the boy to the local morgue out of fear that a dog would find it if he didn’t do something, the duty nurse said.

“It was an absolute accident that he ended up here,” the nurse said, standing outside the run-down hospital complex that looked almost abandoned. She had tears in her eyes as she described never imaging a war in her own backyard, let alone a downed civilian airliner.

The arrival of the little boy, whom she said was clearly not Ukrainian or Russian and dressed in a little green t-shirt pulled up around his neck, drove the pain home. “He was covered in blood, and his corpse had just been lying there,” she said, introducing herself as Lyubov Nikolaevna, her name and patronymic. “It was this fresh kind of blood.”

She said the man who brought the boy warned her that more bodies would likely be arriving, but no others showed up, as emergency workers took over control of the crash scene. She said she was heartbroken and wants the chaos to end. “We don’t care who is president,” she said. “We just want peace to cook borsht, bake pirozhki and bring up our kids.”

The little boy’s body stayed in the tiny morgue’s refrigerator before the ambulance worker on site brought him to local emergency workers who were gathering the bodies and remains from the flight. It was the only body that ended up at the Torez morgue, but the ambulance worker said she knew of others that landed in neighboring towns within the 35-kilometer-wide crash site.

“They fell on people’s homes, everywhere, both full bodies and in pieces,” said the medical worker, Olga Vyacheslavovna, who also gave only her name and patronymic. She was happy the boy had been removed quickly from the site by a good samaritan. “They didn’t want a dog to eat him,” she said. “I helped get him home.”

Boeven? Allemaal boeven?