Raamsteeg2: wéér kunst en wetenschap?!

Je zou er haast een beeld bij krijgen van een netjes geordende wereld; die uit de jaren vijftig. Halverwege is mijn leven begonnen.

Het aardige is dat ook ik heb geleerd dat die periode er een is van verzuiling en van een machtig maatschappelijk middenveld. Een periode ook waarin keuzes werden voorgekookt door het bestaan van die zuilen. In één van mijn studieboeken, herinner ik me, staat het voorbeeld van het bestaan van diverse geitenfokverenigingen in één gemeente, op geloofsgrondslag. Of het voorbeeld van de katholieken die bij de katholieke bakker kochten. Daarvan is het onderwijs nog over; met de vreemde titel ‘bijzonder onderwijs’ hebben we artefacten als protestants-christelijke scholen. In het sectarisch spectrum komen daar de ‘vrije scholen’ en de Jenaplannen cum suis nog bij. De verzuiling is helemaal niet voorbij. Ze is verfijnder geworden.

Als ik in mijn herinnering probeer te graven, is er in het dagelijks leven in de jaren zestig niet veel te merken van die scheidslijnen. De krachtigste was die katholieke kerk. Ik zat op een katholieke jongensschool. Mijn jongere broer eveneens, en ons zusje zat aan de overkant van de straat op de katholieke meisjesschool. Wij hadden meesters. Zij nonnen. Ellendig werd het voor mijn jongste broer: die is van de eerste generatie jongens die naar de meisjesschool aan de overkant moest. Ik vermoed dat veel mensen zich niet kunnen voorstellen hoe dat was.

gaper

Maar op straat, in het dagelijks leven was die scheiding al aan het verdwijnen; of wellicht zelfs nooit zo scherp zichtbaar geweest. We gingen naar de winkels op de Lindelaan: een De Gruyter, Paagman – de boekhandelaar -, een groenteboer – met een aardappelschilmachine – en een apotheker. Die had aan de gevel nog zo’n kop met uitgestoken tong waarop een tablet lag: de gaper. Een reliek uit een verleden, maar verdomd handig om snel een apotheker te herkennen. Ik heb, eerlijk gezegd, nooit het idee gehad dat we sommige winkels bewust meden of juist gebruikten.

Mijn hele leven heb ik een aversie tegen die verhokkingsmentaliteit. Hoe je het wendt of keert; het zijn selectiemechanismen. Hokjes zorgen voor een ‘wij’-'zij’situatie, voor buitengeslotenen. Als je het verkeerd doet, zelfs tot superioriteitsdenken van de ingeslotenen. Bijzonder onderwijs gaat vaak helemaal niet over de kwaliteit van onderwijs – dat wordt er met de haren bijgesleept – maar over hokjesdenken. Een dogma wordt leidend.

Jezelf ontwikkelen, je eigen voor- en afkeuren, sterke en zwakke punten ontdekken vereist de mógelijkheid die te ontdekken. Gesloten groepen doen dat niet. Die bevestigen. Het verbaast me niets dat we inmiddels tot de ontdekking zijn gekomen dat de produktiefste – in de betekenis van creëren – groepen, die groepen zijn die gemêleerd zijn en waarin de leider niet dominant is. Anders gezegd: veel verschillende meningen en karakters die elkaar in hun waarde laten. Voor dat ‘laten’ moet waarschijnlijk ook staan ‘durven en kunnen’, want veel teams zijn daartoe niet in staat. Ze volgen het dominantste geluid; net als de richtinggeving tijdens de verzuiling.

raamsteeg2

In Leiden staat een gebouw dat me hier erg aan doet denken. Toevallig ook vanwege zijn vorm: een bakstenen kolos in een straat die daardoor helemaal wordt gedomineerd. Maar wel een mooi gebouw. En min of meer leeg; of beter: passief. Binnen bevindt zich een museale opslag – het is het oer-Naturalis – en dat was het dan zo ongeveer. Doodzonde, natuurlijk.

Maar wat gebeurt er dan? Er komt heel interessant initiatief in: Raamsteeg2. Een club die zich richt op de crossover van ´kunst en wetenschap of reflectie daarop’. Nu heeft dat wel mijn interesse, dus mij trekt het wel. Maar tegelijk realiseer ik me dat dit het zoveelste ‘kunst en wetenschap’-initiatief is. We worden er haast mee doodgegooid. Alsof er geen ander Leiden bestaat. Alsof alleen dat wat past in een concept relevant is.

Vanochtend zat ik wat te mijmeren en dacht: ‘Wat zou het mooi zijn als Leiden – in casu Naturalis – in Raamsteeg2 bijvoorbeeld ook een biljartclub, een klaverjasclub, koersballers en leesclubs toelaat. Mensen die die hobby beoefenen en die, haast nonchalant, in aanraking komen met kunst, wetenschap of biologie. Iets wat zij wellicht anders minder snel zouden doen. Verleiden, dus”. Want inmiddels is het hokjesdenken alweer aardig de kop aan het opsteken in Leiden, waardoor er groepen in- en uitgesloten worden: ook als het verhaal is ‘dat iedereen kan aansluiten’. Ja, als je pást in de cultuur. Maar een ontmoeting van cultuuruitingen?!

Dát zou echt crossover zijn.

Het menselijk lichaam als foto-object

Eigenlijk zag ik eerst dit, een artikel over fashion photography. Eventjes heb ik gedacht daarover te schrijven. Het zijn wéér vrouwen. Het zijn wéér ‘versexualiseerde’ beelden. We zijn ermee doodgegooid: een glimp of meer van borsten, doorzichtige kleding, beetje bil, hijgerig-open mond, haar-woelende handen… Je kent ze wel. Altijd beelden vrouwen. Altijd mooie vrouwen met mooie lichamen. Altijd beelden van mensen als objecten. We zijn het zo gewoon gaan worden dat de kans groot is dat niemand zich er nog aan stoort. Prima, ware het niet dat dat óók kan betekenen dat we de signalen in ons eigen systeem hebben opgenomen.

Ze staren ons ook wel van alle kanten aan, die dames. Of beter: de reclamefoto’s. En met gevolg, want de posters van een groot (bad)kledingmerk werden uit de abri’s gestolen. Of, veel ernstiger, zoiets als het ontstaan van de pro-ana beweging, waarbij ana staat voor anorexia. Een club van mensen die het (extreem) mager zijn, propageren. Dat je daarbij ook een grens kunt overschrijden – mákkelijk kunt overschrijden – zal je niet verbazen. Wrang, maar “tot je een ons weegt” lijkt dan plots den werkelijkheid te kunnen zijn.

Hoe ver die sexualisering gaat, liet Bimbo zien; een erg mooie theatervoorstelling met een verontrustende ondertoon en ontwikkeling. Het is jammer dat ik niet zo snel kon vinden of die voorstelling nog is te zien. Hij is de moeite waard. Wij zagen hem in het LAKtheater in Leiden – een in de tussentijd wegbezuinigde en dus opgedoekte theatervloer.

20130523-190803.jpg

De voorstelling is slim in elkaar gestoken: qua verhaal, maar ook qua vorm en techniek. Zo wordt de voorstelling gespeeld op een speelvlak waar het publiek omheen zit, met de rug ernaartoe. Je ziet de voorstelling op televisieschermen vóór je. En, inderdaad, je kunt je omdraaien om de ‘echte’ voorstelling te zien. Het effect van die aanpak is enorm.

Maar goed. Dat zijn uitzonderingen. Veel beelden zijn nog steeds op die manier rolbevestigend.

Op het moment dat je je een beetje begint af te vragen of er ook andersoortige fotografie mogelijk is, zie je dan dit:

20130523-191229.jpg

Dát is de reden om toch deze blogpost over fotografie te schrijven. Want deze fotografe, Anna Heimkreiter, gebruikt ook mannen als model, voor foto’s van een wonderlijke wereld. En op een manier die tot de verbeelding spreekt. Volg de hyperlink maar.

Gevaarlijk: (godsdienst)waanzinnigen

Onrecht is iets waar ik slecht tegen kan. Da’s een wat obligate opmerking, want de echt ertoe doende gevallen van onrecht bevinden zich vér buiten mijn invloedssfeer. Denk dan vooral aan de verdelingsvraagstukken als: inkomen, woonruimte, werk. Dat wordt echt niet eerlijk – op basis van gelijke toegang – verdeeld. Ménsen die verdelen; het gaat nooit goed. Wij kunnen dat helemaal niet onbevooroordeeld. Altijd zullen voor- en afkeuren een rol spelen. In de wereld van de social media is dat ‘ontdekt’, en benoemd, als ‘gunfactor’ hetgeen een treffende karakteristiek is.

Wat dat betreft, is het maar goed dat ons ook vanalles kan overkomen ‘zonder onderscheids des persoons’.

Het klimaat is zo eentje. Als het regent, maakt het geen bal uit wie je bent: je wordt nat. De enige uitweg is dat de rijkeren in staat zijn zich beter te wapenen tegen die regen; hetzij met een paraplu, hetzij met een auto, taxi of bus. Maar boven Wassenaar is de kans op regent net zo groot als boven een achterstandswijk in een grote stad. Even voor alle duidelijkheid: de vestigingslokatie is weer wél een mensenverdeling. De meer-machtigen wonen níet op de slechtste plekken op deze aardkloot.

Pesten is, deels, het leren omgaan met onrecht. Dan hebben we het dus niet over de ziekelijke vormen die langdurig grof en vernietigend zijn. Maar ook de ‘lichte’ vorm waar we haast achteloos aan voorbij gaan – “Ach, dat doen alle kinderen van alle tijden. Daar word je groot van” – is een aanslag op het gevoel van rechtvaardigheid: “Hé…, probeer dat ‘s met iemand van je eigen grootte, joh!”. Dat pesten kan fysiek zijn, maar ook psychisch. Ik vermoed zelf dat dat de ergste is: onzichtbaar, maar wel schade toebrengend die nog jaren kan bestaan. Treiteren hoort in die groep. Ook de kleine pesterijtjes als iemand in het openbaar voor schut zetten, of blij maken met een dooie mus.

En maar lachen.

Ik kan dan ook kwaad worden over mensen die anderen bewust voor de gek houden. Gelovigen zijn daar erg goed in. Of beter: de missionaire types daaronder, want de goede moet ik niet te na spreken. Alhoewel ik vind dat iedereen mag vinden wat-i wil, zijn er grenzen aan wat-i zegt of doet. Die grenzen worden, wat mij betreft, overschreden door godsdienstwaanzinnige ‘televisiedominees’, maar ook door gekken als deze:

20130522-183224.jpg

Eigenlijk zou er helemaal geen aandacht aan moeten worden besteed. Deze man is geen knip voor de neus waard. Zijn nut is nul. Maar waar hij eigenlijk heel erg nadrukkelijk op moeten worden gewezen, is het verdriet wat-i mensen aan doet. Kijk, geloven dat dit kan, is één – en al zielig genoeg – maar dan ook nog ‘s uitermate kwetsbare mensen mee lastig vallen…

da’s echt precíes hetzelfde als wat pestkoppen doen.

Eikel!

‘Geblokkeerd nummer’

Eén van mijn grote uitdagingen is een belsignaal vinden op mijn mobiele telefoon wat ik hoor. Míjn iPhone bevat een fors aanbod van geluiden, pingeltjes en deuntjes. Maar heel vaak heb ik niet door dat de telefoon, bijvoorbeeld in m’n broekzak, aandacht trekt. En ja, hij trilt daarbij ook nog. Blijkbaar is het erg moeilijk mijn aandacht te trekken.

Van diverse kanten is me duidelijk gemaakt dat, naast volume en melodie, ook de toonhoogte belangrijk is. Ofwel: hoe ouder hoe slechter je hoge(re) tonen hoort. Niet dat me dat bij mezelf al was opgevallen, maar toch… . De keuze viel dus op een soort van gitaardeuntje: ‘tokkelen’ heet ‘t.

En ik miste nog steeds gespreksoproepen.

Wat er wel een aantal keer gebeurde, is dat ik dacht: “Goh, da’s een bekend deuntje”. Voordat ik me dan realiseerde dat het uit míjn broekzak kwam en het dus míjn telefoon was, was de kans alweer verkeken. Dan keek ik weer aan tegen die – in mijn ogen hatelijke – 1 van ‘één gemiste oproep’. Kon je weer terugbellen.

20130521-185807.jpg

Ooit ging dat niet. In mijn jeugd had je geen nummerherkenning. De telefoonhoorn zat met een draadje aan het telefoonapparaat vast. Nummers kiezen deed je met een draaischijf. Die nummers kende je uit het hoofd; of ze stonden in een ‘telefoonklapper’. Ook was het zo dat de lengte van de reeks cijfers – net- en abonneenummer – een indicatie waren voor de grootte van de gemeente; een totaal van tien cijfers, waarvan drie netnummer, was geen standaard. En als er dus iemand belde en jij te laat bij het toestel was, dan was het over en uit. Je had dan geen mogelijkheid na te gaan wie er had geprobeerd dat toestel te bellen.

Dat ligt allemaal achter ons. Het draadje waarmee je aan het toestel vast zat, wat op zijn beurt weer aan de muur vast zat, is al lang niet meer. Het dictaat wat daarmee werd opgelegd, doorbroken. Niet langer náár het toestel lopen en daar een gesprek voeren. Het toestel werd eerst iets vrijgelaten – langere draden als eerste en losse hoorns daarna – om door te evolueren naar een altijd aanwezig apparaat; bijvoorbeeld in je broekzak.

Dat apparaat is iets wat in de verste verte nog op een telefoon lijkt: je kunt ermee telefoneren. De telefoon is feitelijk getransformeerd naar een zakcomputer. De accu en de toch al aanwezige rekenkracht maakten dat mogelijk. Eenmaal die weg ingeslagen, zijn ze alleen maar meer computertje en opname-apparaat geworden. En hun positie veranderde: als je mij mobiel belt, bel je mij persoonlijk, niet een algemeen nummer in ons huis.

20130521-185854.jpg

Wat ik dan toch wel weer frappant vind, is dat we nog steeds in de maag zitten met die telefoonfunctie. Vandaag ging de telefoon. Nu hoorde ik ‘m wel. Maar ja, dan ben je op wat vroeger het privaat heette en kun je niet bij je telefoon. Gemiste oproep, dus. Maar nog steeds kan ik niet (altijd) terugbellen. Op het schermpje verschijnt de mededeling ‘geblokkeerd’. Wat héb ik daar nu aan. Dat je wel een indicatie achterlaat dat je belde, maar niet wie je bent. Alhoewel ik weet dat er (nog steeds) telefooncentrales bij grote(re) bedrijven zijn die nummerherkenning blokkeren of onmogeljk maken, komt zo’n ‘geblokkeerd’ op mij raar over. Alsof iemand onherkenbaar wil zijn, mij niet vertrouwt.

Gelukkig kan ik ze nooit terugbellen. Ook niet nu mijn iPhone met het geluid ‘oude telefoon’ dat van een klassieke bakelieten telefoon – die wij ook nog steeds in huis hebben – nadoet.

“Dit onderzoek kost u maar twintig minuten van uw tijd”

De gemeente Leiden stuurde me een brief; of ik wilde deelnemen aan de burgerenquête. Daarin wordt de mening van een groep Leidenaren gepolst over de leefbaarheid van de stad. Dergelijke onderzoeken worden door heel veel gemeenten, en organisaties, gedaan: onderzoeken naar onze mening over iets.

Het is blijkbaar het meetseizoen. In opdracht van diezelfde gemeente kregen we verzoek mee te doen aan een onderzoek naar onze PGB-, WMO- annex AWBZ-ervaringen. Was het eerste onderzoek nog helemaal digitaal, het tweede was echt klassiek papier. En uitgevoerd door een voormalige VNGdienst die nu onderdeel uitmaakt van een groot commercieel bedrijf. Over vooruitgang gesproken.

Nu hebben ze mazzel, want ik ben dol op quizjes en zo. Enquêtes horen wat mij betreft ook in die categorie. Als het meer dan vijf, zes vragen zijn, krijg je vanzelf het gevoel “doe ik goed?” of “ben ik al aan het winnen?”. Ik heb ze dus allebei ingevuld.

Mijn overtuiging is dat het lastig, zo niet onmogelijk, is mensen in hokjes te persen. Dat dóen we wel, maar da’s meer om een beetje het gevoel van overzicht en controle te hebben. In ons hart weten we allemaal dat wel allemaal uniek zijn, of minstens wíllen zijn. Dat we op onderdelen gelijk zijn aan anderen, is echter ook waar.

Een mens is een sociaal, meerdimensionaal wezen. Die ga je dus zelden kennen, anders dan dat je zijn verhalen kunt aanhoren en interpreteren. Lastig, lastig, als je grote groepen wilt kennen. Lastig, lastig, als je je beleid wilt baseren op ‘de mening’ van ‘de burger’. Dat red je niet.

De vragenlijsten gaven de makke perfect weer.

De kern van de zaak is dat meerkeuzevragenlijsten helemaal niet mijn mening verzamelen, maar mijn mening over de mening van de onderzoeker. Díe bepaalt de vragen en de antwoorden waaruit ik kan kiezen. En je zult zien; het antwoord dat ik zou wíllen geven, staat er niet bij. Da’s een heel oud onderzoektechnisch probleem. Maar wel een probleem wat enorm waar en relevant is: als je wilt weten of wat jíj vindt gedeeld wordt, dan werkt het redelijk. Wil je weten wat ík vind, dan werkt het niet.

Toevallig las ik vandaag een blog van Jacqueline Fackeldey over iets dergelijks, maar dan in klantcontacten. Ook daar is het goed je rekenschap te geven van de kansen die ‘goed kijken en luisteren’ je opleveren. Maar een gevaar schuilt in conclusies trekken. Daarvoor heb je eigenlijk ‘het hele verhaal’ nodig. Praten, dus.

De vragenlijsten van Leiden vormden ook zo’n probleem. Op een aantal vragen zou ik hebben willen antwoorden “Ja, maar….”. Die optie is er echter niet. En dan zit je dus naar zo’n vraag te staren; ga ik dan vooral voor ‘ja’ of voor ‘nee’. Da’s toch goed?, zul je wellicht denken. Dan móet je kiezen. Maar de grap is dat wij heel vaak conditioneel kiezen. Dát bepaalt onze keuze en opvattingen. Maar dát wordt niet gemeten.

DSM-V

Nou. Hij is er(bijna). De nieuwe Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders: DSM-5.

Ter plaatsbepaling: ik vind dat er geen ‘markt van welzijn en geluk’ hoort te bestaan. De farmaceutische indústrie dien je daarom met argusogen te volgen en hun beweringen op een goudschaaltje te wegen om de waarde te bepalen. ‘Industrie’, ‘ondernemen’ en ‘gezondheid’ zijn lastig te combineren zonder in een belangenconflict te raken.

De DSM speelt daarin een vreemde rol. Psychiatrie is mijn vakgebied niet. Maar als ik lees hoe er over de DSM wordt gesproken en geschreven, dan zijn er toch wat zaken te observeren.

De DSM beschrijft aandoeningen. Niet meer en niet minder. In dat opzicht is het een boekwerk vergelijkbaar moet ieder ander codeboek: wat bedoelen we met..? Ook onze woordenboeken vervullen die functie. Zonder zulke afspraken is het onmogelijk te communiceren.

Maar ja: niets is echt waardevrij, hoezeer het ook wordt geprobeerd.

En dus wordt de DSM gebruikt. Daar ontstaat de ellende.

Als ik me met klachten níet bij een arts meld, heb ik die klachten nog steeds wél maar wordt er (waarschijnlijk) geen diagnose gesteld. Beruchte voorbeelden? ‘De griep’ die vaak een heel stevige verkoudheid is. En als ik een dag of wat goed chagrijnig ben, is dat ook niet echt reden tot zorg.

Kom ik met die klachten toch bij een arts, dan zal ik vast te horen krijgen dat het meevalt. Daar zijn protocollen, hand- en leerboeken voor. En vooral de vakkundigheid van de arts. Want alhoewel het soms lijkt alsof we als machientjes zijn te repareren of nieuwe onderdelen kunnen krijgen, zíjn we geen machientjes die honderd procent voorspelbaar of zelfs maar kenbaar zijn.

Kom ik vaak met zulke ‘onbelangrijke’ klachten bij de arts, dan is er meer aan de hand. Ik zóu een hypochonder kunnen zijn. Hoeveel daarvan in Nederland rondlopen, weet ik eigenlijk niet. Maar een fijn leven kunnen die niet hebben, met al die ziekten die je als mens kúnt krijgen.

Maar het kan ook zijn dat er iets héél anders aan de hand is.

De samenleving waarin we leven, wil alles bevestigd zien; hetzij door onderzoek, hetzij door professionele analyses. Dat werkt verlammend. En het is een van de belangrijkste perverse prikkels om instrumenten in te zetten op manieren waarvoor ze nooit zijn bedoeld.

De DSM is er zo één. Alleen de ziektebeelden die daarin zijn opgenomen, worden erkend. Door werkgevers, door verzekeraars. Maar daarvoor is de DSM nooit bedoeld: om bijvoorbeeld te dienen als basis voor een recht op vergoeding. Het is een volledige ontkenning van de patiënt en diens klachten. CVS? Chronisch VermoeidheidSyndroom? Volgens sommigen bestaat het niet; ook niet als er veel mensen zijn, die onafhankelijk van elkaar, vergelijkbare klachten ontwikkelen. RSI? Een modeziekte, denken sommigen – vaak dezelfde. Ook hier weer ondanks de aandoeningsklachten.

De New York Post had gisteren een artikel met de kop We’re All Mad Here. Twee citaten daaruit, dit:

DSM 5 has added many new mental disorders that include many symptoms and behaviors previously accepted as simply part of the human condition. The resulting overdiagnosis of mental disorder will have many harmful unintended consequences — the misuse of medication, unnecessary stigma, high costs, misallocated resources, narrowed expectations, a reduced sense of personal responsibility, and the misapprehension that we are all becoming sick individuals living in an increasingly sick society.

en dit:

Why all the these daffy DSM 5 diagnoses reducing the large pool of normal into a small puddle?

Dat laatste citaat is, denk ik, tekenend. Daaruit blijkt iets vreemds. want vanaf het moment dat je gaat benoemen, is de tendens de onbenoemde kern zo klein mogelijk te laten zijn. ‘Normaal’ ís inderdaad een ‘kleine poel’. Sterker, het is de vraag of er wel iemand ís die honderd procent gezond is.

Het eerste citaat geeft goed weer wat ik bedoelde: alle negatieve gevolgen zijn gevolgen van een gebrúik van de DSM. Een, denk ik als toeschouwer, verkéérd gebruik. Maar om dat dan aan de DSM te wijten, gaat me nog even te ver.

Waarom wordt er niet veel meer aandacht gevestigd op het gebruik van instrumenten als de DSM? Op de rap om zich grijpende medicalisering? Die een gevolg is van ons eigen onderling wantrouwen. Op de rap om zich grijpende besluiteloosheid als er geen onderzoek of commissie-oordeel aan ten grondslag ligt?

Wíj zijn doorgeslagen. Dát is het probleem. Niet de DSM 5.

Het seizoen Netniet

Vijf seizoenen; zoveel ken ik er. Jij vast vier: winter, lente, zomer en herfst. Ik ken ook nog twee keer het seizoen Netniet. Misschien zou ik er verkleinwoorden voor moeten gebruiken: seizoennetjes, in plaats van het groots en meeslepend ‘seizoen’.

Het is niet een seizoen in de klassieke betekenis van het woord. Dat zijn de driemaanden perioden die worden bepaald door de stand van zon en aarde. Eigenlijk zijn het dus tijdseenheden, want het gaat om het móment waarop ze beginnen (en eindigen) en de periode ertussen. Als je er op die manier naar kijkt, is een seizoen een enórme tijdseenheid; ofwel (heel veel) secondes, minuten, uren, dagen, weken, maanden. Natuurlijk kan het allemaal nóg groter: ruimtemensen denken in lichtjaren. Da’s pas fors. Maar die hebben ook een fantastische geheimtaal met parsecs en AE.

seizoenen

In dat verhaal is ‘seizoen’ een wat vreemde eend. Ik – en ik vermoed de meeste mensen – associëren dat woord met ‘klimaat’ of ‘het weer’. Vraag een willekeurige omstander maar ‘s welk seizoen zijn of haar favoriete is. Gegarandeerd dat je een antwoord krijgt dat gaat over het weer. Mijn favorieten zijn de lente en herfst. Dan komt alles tot leven of sterft. Dan is er beweging. De winter zou ik op plaats drie zetten – vanwege de mogelijkheid van sneeuw, ijs en vorst – en de zomer – echt – wordt vierde. De zomer is, in theorie, dan wel een aangenaam temperatuurseizoen; het is ook wel het doodste. Van die dagen dat het zo heet kan zijn dat de mussen uit de dakgoot vallen. Dat niets geluid maakt om maar energie te sparen. Dat je continue vloeistoffen tot je moet nemen, wil je niet als een kwal op het droge, uitdrogen. Overal het klamme zweet, waardoor je niet eens meer goed kunt denken. Nee, de zomer is voor mij heel zeker nummer vier.

Maar als ik naar seizoenen kijk alsof het periodes zijn met vergelijkbaar weer, dan heb ik aan die vier niet genoeg. Dan heb ik er vijf.

We zitten er nu in: het seizoen Netniet.

Er zijn twee seizoenen Netniet – in de periode lente-zomer en de periode zomer-herfst. De seizoenen Netniet worden niet bepaald. Ineens zijn ze er. Bijna zonder waarschuwing. Zoiets als de voorwaarschuwingen voor Extreem Weer of de codes Oranje, Rood of Pimpelpaars? Werken niet.

Seizoen Netniet is namelijk nogal persoonlijk. Het zijn die periodes in het jaar dat je niet weet wat aan te trekken. In deze periode kun je op straat mensen zien die zich nog steeds in een koudegolf wanen – ik heb vorige week nog hándschoenen in gebruik gezien! – maar ook zij die ‘de zomer al in de kop hebben’.

Seizoen Netniet is daarom ook nogal moeilijk. Want wat doe je aan als het misschien warm, maar misschien ook wel fris gaat worden? Of zou het gaan regenen? Alhoewel…. de kans op droog weer is er ook.

Dat zijn de seizoenen Netniet. De paar weken in het jaar waarin je de grootste kans hebt op foute kledingkeuze. De paar weken dat je voor buiten nog vrij redelijk bent gekleed, maar de eerste de beste winkel die je binnenstapt het zweet je aan alle kanten uitbreekt. Dat je aan de ene kant van de straat, in de zon, het aardig uit houdt en aan de andere kant – de schaduwkant – vernikkelt van de kou. Die periode.