Een huis voor een kat

Hallucineren is werkelijk niet moeilijk.

Wij hebben twee katten: een oudere van zo’n 15 en een jongere van zo’n 10. Inderdaad, er zit een voortgaande reeks in. De jongere is er al opdat er weer een nieuwe jongere kan komen als de oudere de pijp uit gaat. Dat verwachten we al drie jaar, maar het lukt ‘m niet echt. Wel wordt-i steeds miauweriger, (overdreven) aanhankelijker, vergeetachtiger, kippiger en minder sterk (waardoor-i tégen de bank aanspringt in plaats van er op).

De jongere is een dondersteen geweest. Hij is dol op schooien en doet dat ook dagen achtereen. Of het regent of sneeuwt: meneer is altijd op pad. Af en toe rust-i hier uit of laat zich verzorgen. We hebben hem hier al heel vaak zien arriveren als grijze kat – hij is wít – omdat-i in de stof heeft liggen dwarrelen. Hij kan zwartgevlekt zijn, van de smeerolie onder auto’s (waarvan ik me nog steeds afvraag wat die katten bezielt om kopjes te geven aan áuto’s), pikzwart-stinkend (hij donderde ooit in ons vijvertje. 1,5 x 1 x 0,5! Zó klein), en ook bijna helemaal rood van het bloed. Zo’n kat. Eentje die nu alweer maanden rondloopt met allerlei korstjes aan z’n oren die een gevolg zijn van, ja wat?

De heren verdedigen hun territorium met hand en tand. De oudere steeds minder (die snurkt), de jongere niet echt fanatiek. Als-i vecht, doet-i dat volgens de dierenarts niet altijd even slim. Maar als er een vreemde kat in de tuin is, doen ze wel aan freeze, fligt of fight. Vooral freeze kan dolkomisch uitpakken: ‘nee, jôh, ik zie jou niet. Ik doe net of je er niet bent’ of ze springen van verrassing een meter de lucht in. Meestal werkt blazen aardig. Mocht de wapenwedloop een stapje zetten, dan komt een heel arsenaal aan enge geluiden tevoorschijn. En soms vliegen ze elkaar in de haren, meestal omdat er geen uitweg is voor één van beide.

Sinds een jaar zijn er weer nieuwe katten in de buurt. Dat verstoort de balans.

Een paar huizen verderop wonen nu twee nieuwe katten. Met één van hen kan de jongere heel goed opschieten, met de andere minder. Beide nieuwkomers, een roodwit gevlekte en een rode, zijn echter ook donderstenen. Ze staan fanatiek kopjes te geven aan ons raamkozijn en naar binnen te gluren. Op zoek naar eten natuurlijk. Met van die pretoogjes en een oogopslag van Pietje Bell.

Als het raam open staat – en dat is vaak – zijn ze inmiddels zo ver dat zij in elk geval geen bezwaar zien in binnensluipen. Hup, door het raam en wandelen maar door een huis dat verdraaid lijkt op hun eigen, qua indeling. Meestal heeft onze oudere niet eens door dat-i bezoek heeft. De enkele keer dat dat wel gebeurt, valt-i bijna om van verbazing. Zo kijkt-i althans, alsof er een fata morgana, een zinsbegoocheling optreedt. Vanmiddag kwam onze witte de rode tegen op de onze trap; neuzen tegen elkaar en doorlopen, alsof het de gewoonste zaak van de wereld is.

Het lastige is wel dat de jongens nog geluidloos zijn (de rode springt nu net naar binnen). Dat is misschien nog wel een probleempje voor mij. Dat ik zit te tikken en door de randen van mijn bril denk iets te zien bewegen, of niet. Vaak is het niets. Maar de kans is serieus aanwezig dat er katte-iemand voorbij sluipt. Of -en dat gebeurde me al een paar keer – dat ik denk dat het een van onze katten is die naast me op de grond ligt.

Weg met De Correspondent

Het moet afgelopen vrijdag zijn gebeurd. Ik heb het nagezocht, want ik wist dat het in de De Volkskrant stond. Ergens op dit punt in een verhaal over ‘een jaar De Correspondent':

Photo 27-09-14 20 09 27

Zelf meen ik me herinneren dat het me te binnen schoot toen ik las over die “aanvulling op het media-aanbod”. Ik dacht iets als “Maar wat ís die aanvulling dan?”

Mijn eerste bekentenis is dat iedere nieuwkomer een aanvulling is en de bewering in principe dus waar zal zijn. Maar daar gaat het me niet om. Misschien is het een lichte vorm van teleurstelling na de best wel hoogdravende en verwachtingscheppende startweken van De Correspondent. Die Namen hebben me nooit zo geboeid. Wel het idee van de participatie van de lezers. Sterker, misschien heb ik mezelf op het verkeerde been gezet en daarvan teveel verwacht.

In de wereld van de nieuwsmedia heeft ook De Correspondent niets wezenlijks toegevoegd.

Dat is absoluut geen waardeoordeel. Het heeft wel alles te maken met de vorm. De Correspondent, excusez, is één van de vele bladen met een iets andere rubriek Lezersbijdragen. En natuurlijk een ander verdienmodel, maar dat boeit míj weer minder.

Na een dagje sudderen op de vraag waar mijn vraag nu vandaan komt en vooral hoe-i luidt; denk ik het deels te weten. Waarom wordt het fenomeen ‘krant’ of ‘nieuwswebsite’ niet getest op het aspect ‘concentratiepunt’? Lekker vaag, maar het komt er op neer dat ik me begin af te vragen of je niet naar publicaties – inderdaad, in den brede – moet gaan kijken als vrijzwevend in een open ruimte. Wat is eigenlijk de noodzaak om publicaties van gelijke aard bij elkaar te hebben? Als je het Internet deels ziet als informatiesysteem, dan is dat wel een vraag: moet je dat systeem structureren – en op welke criteria dan – of moet je de informatie vindbaar ontsluiten, ongeacht de plek van opslag?

Persoonlijk denk ik dat die laatste optie de beste is. Tegelijk realiseer ik me dat heel veel bijdragers, ook aan Dichtbij.nl bijvoorbeeld, dat niet uitsluitend doen om te kunnen schrijven en publiceren. Bij dat laatste speelt ook de status van het platform een rol. Een ‘ouderwets’ idee dat het uitmaakt of een geniale gedachte in een lokaal sufferdje staat of in een toonaangevend vakblad. Ook dat is typisch databank(doorzoek)-probleem: reikwijdte of nauwkeurigheid (precision and recall). Wellicht is er (echt) geen oplossing voor.

Het is een paradox. Misschien moet De Correspondent z’n vorm verlaten; zich als De Correspondent manifesteren op talloze andere plekken en dáár stukken plaatsen en discussie entameren.

Tegelijk voor- en achteruit

Vandaag was ik in Leiden aanwezig bij een ‘publiekssymposium’, het vijfde alweer. De titel: Human potential: Optimaliseer jezelf, train je hersenen. Negen hoogleraren deden zo’n 800 aanwezigen kond van ontwikkelingen op hun vakgebied die te maken hebben met human potential, vertaald als vitaliteit. Een – vrij beperkte – reportage vind je bij VOLnieuws, de regionale nieuwswebsite.

Het is goed te zien dat eindelijk wordt erkend dat gezondheid, een belangrijke factor in het licht van vitaliteit, niet generiek te benoemen is. Gezondheid en ook vitaliteit zijn individueel bepaald. Voor de regelmatige lezers van dit blog is dat geen ontdekking. Het wordt hier al langer beweerd. Wat voor de een positief is, kan dat voor de buurman niet zo zijn. We zijn uniek, en slechts in beperkte mate vergelijkbaar. Ja, dat geldt voor meningen, gevoelens of voorkeuren, zul je zeggen. Welnu, de wetenschap weet nu dat het ook geldt voor gedrag dat (deels) wordt opgeroepen door chemische reacties. Het pilletje dat bij de een goed werkt, hoeft dat niet per definitie – in een vergelijkbare situatie – ook te doen bij een ander.

Het is wel iets om bij stil te staan.

In de huidige tijd horen wel overal om ons dat we te maken hebben met innovaties die ons leven ingrijpend zullen veranderen, zeker in het gezondheidsdomein. Dat zal wellicht ook gebeuren. Maar wie weer eens hoort hoe medische ontwikkelaars daarin staan, houdt de overdrachtelijke slag om de arm. Het gaat nog heel lang duren.

Wat techpredikers bijna altijd ontbreekt, is vakkennis van het betreffende domein. Zonder rekening te houden met de restricties die wellicht daaruit voortvloeien worden toekomstbeelden vrijblijvend. Dan gaan robots ons op vrij korte termijn helpen en op middellange termijn worden bestuurd door hersengolven. De eerste voorbeelden zijn er immers al.

Die eerste voorbeelden zijn echter in onze lekenogen indrukwekkend, maar vaak nog niet meer dan vingeroefeningen. Vooral de hersengolvenbesturing heeft iets verleidelijks en komt geregeld om de hoek. Vandaag bleek weer ‘s hoe ver die nog zijn.

We kunnen met hersenactiviteit machines bedienen. Dat is zo. We weten ook vrij goed welk gebied van de hersenen wat doet. Maar we weten ook dat hoe nauwkeuriger we kijken, hoe complexer en gedetailleerder die bediening werkt. En vooral: hoe persoonlijk. En dan hebben we het nog niet eens over het niet kunnen determineren uit hersengolven of we aan een hamburger of aan een pizza denken als we aan voedsel denken, zoals één van de hoogleraren, eufemistisch ‘een internationaal vermaard deskundige’, zei.

Dat het nog een tijd gaat duren heeft met het verkrijgen van die kennis te maken. En met de eisen die men stelt. Er moet ook bewijs zijn dat die aansturing klinisch werkt, dat ze generiek is, dat ze 99,9% betrouwbaar werkt. Het mag niet zijn, zoals nu nog gebeurt, dat de door een ALSpatiënt met hersenactiviteit bestuurde robotarm plots gaat zwenken en zwaaien, omdat de aandacht verschoof.

Die erkenning van de unieke mens is mogelijk een nog grotere verandering dan de technische snufjes en deeloplossingen. Het betekent dat de medicus (weer) vakman moet worden en minder technisch specialist of operator. De chirurg kan dat nog worden, maar de internisten en de oncologen niet. Sterker, die laatsten zijn al geconfronteerd met de per patiënt unieke medicatiemix.

Ooit weleens bij stilgestaan dat wij, westerse werelden, wel eens een fasewisseling kunnen doormaken die ons dan wel op een technisch hoger level laat leven, maar met dezelfde onbekendheden die de chirurgijn had aan het eind van de middeleeuwen? Vooruitgang én achteruitgang in een. Fascinerend.

“een wereldvreemde, zelfingenomen flapdrol”

Beangstigend. Dat is het woord dat me bekroop toen ik in 360magazine een Nederlandse vertaling las van van William Deresiewicz’s Ivy League schools are overrated. Send your kids elsewhere, dat oorspronkelijk op de website van The New Republic stond en heel veel los maakte.

Hij stelt dat de allerbeste universiteiten in de VS (de Ivy League) segregatie in de hand werken: tussen de economische elite en de rest. Een bekende discussie, denk ik dan, dat selectie uiteindelijk altijd uitpakt ten gunste van de economisch sterksten. Sterker, Deresiewicz stelt vragen bij de kwaliteit van dat ‘top-onderwijs’ als je het toetst aan academische vaardigheden.

Ik kan het niet goed beoordelen. Dát het zo werkt, is echter geen eye opener. Studentencorpora hebben een vergelijkbaar effect van ‘ons kent ons’vorming. Zeker aardig is zijn waarneming dat de Ivy League schermt met zijn diversiteitsbeleid, maar dat dat vooral een trompe-l’oeil is. Mannelijke én vrouwelijke studenten en studenten van verschillende rassen vermogen te verhullen dat ook zij kinderen zijn van de economische bovenklasse.

Er is iets anders wat me enorme zorgen baart; ook omdat de afgelopen twintig jaar steeds vaker wordt bewezen dat het desastreuze effecten kan hebben.

Studenten die worden opgeleid aan elite- of top-universiteiten lijken onzekere persoonlijkheden te ontwikkelen en een eenzijdige ervaring te hebben met de samenleving. Vooral dat eerste is ronduit zorgwekkend, voor hen en voor ons.

In de race naar de top worden eisen aan je gesteld (welke en door wie eigenlijk?!). Je moet jezelf bewijzen. Hoge cijfers. Nevenfuncties. Mee kunnen praten ‘op niveau’. De kans is groot dat je daarvoor lang op je tenen moet lopen, té lang. En dat jonge mensen niet eens weten waarheen ze onderweg zijn, anders dan ‘dat het een goede baan, veel geld oplevert’.

Dat kent Nederland ook, hoor. Specialisten waren toch studenten die kozen voor hoge inkomens? Ook hier is ‘de goede baan’ doel, maar wat dat is?! Of scholieren die op het gymnasium startten en al vrij snel kapot gemaakt door (ouderlijke) ambitie moesten terugschakelen naar VWO, HAVO en verder.

Onzekerheid is een prima voedingsbodem voor anti-sociaal gedrag. Dat kan pesten zijn, maar ook enorm egoïstisch of narcistisch gedrag. Onzekerheid leidt tot compensatiedrang.

Hoe dat uitpakt, wordt steeds duidelijker. De bankengraaiers kunnen heel wel onzekeren zijn die compenseren. Jongetjes die wedstrijdjes ‘wie heeft de grootste’ doen. Politici die veel mooiere verledens voorspiegelen of bij elkaar fantaseren om maar serieus te worden genomen. De gevallen ‘leugentjes om bestwil’ zijn allang de fase van de verkleinwoorden voorbij. Het is ronduit volksverlakkerij en leugen.

Ga eens uit van de realiteit van een elite-selectiemechanisme dat werkt zoals Deresiewicz schetst, met als neveneffect onzekere mensen; dat onze toekomstige leiders opleidt (die kíezen we toch?!): dan moet er de komende tijd toch echt een onhoudbare situatie ontstaan.

Dan worden we mogelijk ‘geleid’ door “wereldvreemde, zelfingenomen flapdrollen”. En dát noemen we dan meritocratie?!

De wereld wordt plat

Er zijn van die zaken die je lekker lang kunnen bezig houden, die haast doorzeuren. Zo heb ik inmiddels dertig jaar geleden een discussie gevoerd met een beroepsmatige kennis over het effect van het Internet. Dat was er toen net en we hadden geen benul van z’n invloed. Mijn standpunt was toen dat dat effect er in principe niet zou zijn, waarbij in principe sloeg op het menselijk gedrag. Basale emoties als angst, woede, vreugde en verdriet zag ik niet snel van karakter veranderen. De mechanismen achter en in sociale relaties evenmin. Dat afstand een nieuwe factor erbij zou krijgen, was wel duidelijk. Iedereen was bezig met elektronische snelwegen, digitale snelheden en een wereldomvattend dorp.

Onvoorstelbare en oneindig veel mogelijkheden doken op. De fantasie sloeg op hol om pas nu een beetje af te remmen. Nog steeds wordt veel te veel hoop gevestigd op en ontleend aan technologische oplossingen. Tot mijn schrik is (het werk van) het Rathenau Instituut niet veel prominenter geworden. Het vak technology assessment – echt een pracht vak – lijkt te zijn verdwenen uit het publieke debat; in elk geval minder agenda-bepalend en minder opvallend aanwezig. Maar goed.

Er zijn zo van die vragen waarvan ik niet weet wat ervan te denken.

Het is duidelijk dat we makkelijker aan elkaar te verbinden zijn dan ooit. Grenzen en tijd spelen haast geen rol meer, zo lijkt het. Dat wereldomvattend dorp is er niet, maar maakt serieus kans op ontstaan. Nieuws en kennis zijn losgekoppeld en vormen een geheel eigen domein waarop je kunt inprikken wanneer en van waar je ook wilt (min of meer). Nieuw is de vraag hoe betrouwbaar dat alles is, want de kwaliteitsbewakers zijn (aan het) verdwenen: de bibliothecaris (ook de collectievormende), de journalist, de uitgever.

Wat al jaren aan de gang is, is dat die nabijheid ook imitatiegedrag teweeg brengt. Zo zag ik bij de apotheek een reclamebiljet voor gel-inlegzolen “best verkocht in Amerika”; alsof ‘Amerika” een kwaliteitsstandaard op zichzelf is. Dát is de ellende. Dat we steeds makkelijker en vaker naar buiten kijken om te kopiëren. Enig idee hoeveel studiereizen worden georganiseerd? Welzijnsmethodieken die worden geïmporteerd, gemeenten die beleid overnemen, zorgconcepten die worden gekopieerd. Op zich is er niets mis met het overnemen van het goede.

Maar het is zo destructief wat nu gebeurt.

In die periode dertig jaar geleden hield ik me bezig met ‘innovatie’. Indertijd waren dat vooral registratie- (en kennis)systemen. De maatschappelijk werkers liepen voorop. Zij hadden een kennisssystemen dat, gebaseerd op case based reasoning, een anamnese kon vergelijken met wat collega’s in een vergelijkbare situatie deden. De opzet was dat die stap een laatste toetsing was en dat het systeem ‘leerde’ van de ingevoerde data. Maar alras bleek dat het veel prettiger was om de kennis in het systeem te gebruiken als advies of als oplossing. Het systeem leerde niets en werd zelfbevestigend: wat-i zelf ophoestte, kwam terug en bevestigde het opgehoeste. Dodelijk voor een lerend systeem.

Dat is wat ik langzaamaan zie gebeuren. Dat de nabijheid van andere kennis, andere culturen, andere mogelijkheden leidt tot armoedig imitatiegedrag. Het ís zo dat we de Verenigde Staten vormen. Terwijl ik dit tik, hoor ik op televisie weer ‘s hoe Nederlandse televisie- en theaterproducenten Amerikaanse sitcoms vertaalden en invoerden; vanwege het succes in de VS. In de politiek is het ook een veelgehoorde: dat het elders zo goed gaat, dat wij in Nederland dat ook zo zouden moeten doen. De bestrijding van werkloosheid, (de afbraak van) het zorgstelsel, het denken in markttermen, de ouderenzorg: allemaal niet originele gedachten, maar import.

Het beangstigende is dat het Internet ook wordt gebruikt zoals dat kennissysteem indertijd. Het Internet versterkt de neiging naar het gemiddelde. Het Internet maakt op de lange duur plat. We imiteren elkaar. En zoals een rivier rotsen afschuurt tot kiezels, kan het weleens zo zijn dat de komende generaties steeds minder ‘uitbijters’, steeds minder eigenheid zullen zien. Een platte wereld, met moderne versies van koning en geestelijkheid aan de top.

de a-sociaal

Jaren heb ik me ertegen verzet, de ergernis. Misschien is het het verkeerde woord. Het is eerder een mix.

Laat ik niet te precies zijn. In de buurt wonen mensen die er een in mijn ogen zeer vreemde gewoonte op na houden: hun auto moet récht voor de voordeur staan. Ik denk dat het een psychiatrische aandoening, omdat-i dwangmatig wordt uitgevoerd. Als de auto drie meter verderop staat, wordt-i verplaatst zo gauw ‘hun plek voor de deur’ beschikbaar is. Of hij wordt van de andere kant van de straat vier meter verplaatst naar die plek. Dwangmatig.

Het is een voor mij onbegrijpelijke gewoonte. Wat levert het op? Niets. Er is geen sprake van handicaps die meer dan vijf meter lopen verhinderen. Daarbij, dan vraag je en krijg je een invalidenparkeerplaats toegewezen. Maar daarvan is helemaal geen sprake. Misschien dat er sprake is van een overtuiging dat je beter toezicht kunt houden op je bezit als het voor de deur staat. Lijkt me ook niet houdbaar. Je auto wordt net zo makkelijk ongemeld beschadigd of gestolen als-t-i voor de deur staat of elders. Mogelijk dat een volkomen verlaten parkeerweiland inderdaad een slechter alternatief is. Maar de plaats doet er niet toe; de kwaadwillendheid van de ander wél. En die is echt niet plaatsafhankelijk.

Snappen doe ik het niet, anders dan dat het blijkbaar een ziekteverschijnsel is. Wellicht.

Steeds meer wíl ik dit soort gedrag ook niet meer snappen. Als je het vaak genoeg ziet gebeuren, realiseer je je ook wát er gebeurt. Er wordt een auto gestart om twee, drie meter te rijden. Dat is verdomme je reinste milieuvervuiling in de ergste vorm. Het lijkt wel klein en onbenullig. Maar het is feitelijk enorm a-sociaal.

Van alle kanten wordt geprobeerd ons te doordringen van het feit dat we toch echt anders moeten omgaan met (fossiele) brandstoffen en energie. Dat is lastig genoeg en een kwestie van hele lange adem. We zijn gewend aan het gemak, de luxe. En dus gaan we boodschappen doen en kinderen naar school brengen met de auto; wel honderd, tweehonderd meter ver weg. Want ‘ja, ik doe heel veel boodschappen’ en ‘maar anders moet ik naar de school fietsen, weer terug en dan naar werk’. Hónderd meter! Voor mijn part een kilometer. Dan heb je het over minúten fietsen, klungels.

Zelf ben ik echt geen energiebewust mens. Eerder een gemiddelde luiaard op dit punt; als het me hapklaar wordt aangeboden, wil ik er vast iets mee doen. Maar zonne-energie wekken we nog steeds niet op – teveel gedoe en te duur. Chemische afval hebben we een half jaar verzameld, totdat bleek dat de ophaaldienst zó onhandig was opgezet dat in de vuilnisbak mikken veruit won (alleen met batterijen lukt het soms ze in te leveren). Ik ben bang dat dit beeld voor heel veel mensen herkenbaar is. Toch zijn er grenzen.

Wij fietsen alles. Ook de vele boodschappen. Dan gaan we maar veel vaker op de fiets met fietstassen inkopen doen. Het is in Leiden ook de veruit snelste manier om je te verplaatsen. De ervaring van jaren her leert dat het grote onzin is te beweren dat het niet kán omdat…. en dan volgt de lulsmoes.

Een belangrijke reden om de auto niet gebruiken, zijn mijn lessen natuurkunde. De motoren zijn beter. De lessen kloppen ongetwijfeld grosso modo nog steeds: een motor heeft tijd nodig om op bedrijfstemperatuur te komen en zal tot die tijd sub-optimaal omgaan met brandstof. Nóg meer vervuilen, in helder Nederlands.

Je moet wel in sprookjes geloven als je meent dat jouw auto binnen twee kilometer op bedrijfstemperatuur is. Maar goed, laten we die het voordeel van de twijfel geven. Maar je auto vóór de deur willen zetten en hem daarvoor een paar méter verplaatsen, is werkelijk een bewuste aanslag. De drogredenering die daarop volgt, komt meestal neer op iets als ‘maar het is een korte periode dat-i draait’. Nee, mensen korte-afstandrijders, het gaat er om dat-i helemaal níet had hoeven draaien.

Voor mij ben je dan een a-sociaal.

JA! – fondsen

Innoveren is verschrikkelijk lastig. Als men je niet voor volslagen geschift houdt, is het minste toch wel de vraag of je kunt aantonen dat gaat gebeuren wat jij zegt. Of dat het wat opbrengt. Per slot van rekening leven de meeste mensen in een wereld die wordt gedomineerd door (het verdienen, krijgen en houden van) geld. Alles draait om geld. Vooral in bedrijven kan men er wat van. Daar vragen ze zonder van schaamte van kleur te verschieten om bizniz cases. Da’s leuk als je boekje zevenendertig van een nieuwe vormgeving voorziet, maar niet als je nog onbewezen technieken wilt gaan inzetten. Dan blijkt je eerste barrière je eigen werk(gever).

Het is geen bijzonder verschijnsel. Als je het ietsje verbreedt, zie je het ‘overal’. NWO kent subsidies en beurzen toe; de klacht is dat het een tombola is en dat de mogelijk baanbrekende ideeën niet doordringen omdat ze nog onbewijsbaar zijn. Theatergezelschappen moeten kunnen aantonen hoeveel toeschouwers zij bij een voorstelling, die pas over twee of drie jaar ‘staat’, verwachten. Of, nog erger, ze moeten zaalgroottes aanvragen in plaats van voorstellingen. Welzijn lijdt er al decennia onder: de aantoondrift. Kwantificeren, benchmarken en protocolleren: termen die van onbegrip voor mensenwerk getuigen. Als een soort van kippedrift gaat bewijsvoering door het land.

De idioterie is dat er wel geld is voor vernieuwing. Maar die is onbereikbaar als je niet aan ‘de regels’ voldoet. En één van die regels is vaak een uitgebreid bewijsplan. Paradox: geld voor vernieuwing is vooral gericht op status quo.

Inmiddels ben ik zo ver dat ik denk dat we stomweg al die fondsen, overheden, bureaus de rug moeten toekeren en het zelf doen. Je hebt vooral last van bemoeials als je de gebruikelijke wegen naar geld kiest.

Mijn idee is het JA!-fonds.

Eén van de mooiere ontwikkeling van deze tijd is het verschijnsel crowdfunding. Ben ik nog uit de generatie voor wie directe democratie een (ijdele) hoop was; nu is daar plots directe financiën. Wat is er mooier dan dat ík kan kiezen waaraan ik mijn €100 – of meer – besteed? Websites zát waar honderden ideeën staan, die steun zoeken. En als jij en ik daarin iets zien, kunnen wíj dat steunen. Hoezo gemeente? Hoezo bank? Hoezo fonds? Communis opinio!

De variant waarvoor ik pleit, is hierop gebaseerd. Het enige verschil is dat je niet een concreet project steunt, maar een fonds. Een fonds met de nadrukkelijke doelstelling innovaties die niet direct kunnen worden bewezen, te steunen. Het ‘Ja, doen we’ in plaats van ‘Nee, want’ of ‘Ja, maar’. Idealistisch? Zeker. De inleggers zullen ook idealistisch zíjn en gelóven in (maatschappelijke) projecten in plaats van financiële opbrengst. Het structureren zal nog voeten in aarde hebben. Om misbruik te reduceren zal zo’n fonds moeten worden opgeknipt in kleinere delen met allemaal dezelfde stichtingsdoelen. Kleinere delen maken de verleiding om ‘een héél klein beetje te sjoemelen’ kleiner.

Mijn droom is dat zo’n JA!-fonds in iedere stad te vinden is. Megalomane landelijke maatschappelijk projecten rieken al naar onzin doordat ze plaatselijke (cultuur)verschillen ontkennen en omdat ze blijkbaar uit gaan van standaardmensen en standaardoplossingen. Die tijd is voorbij. Die projecten moeten stoppen. En dus is een lokale financieringsstroom nodig. Eentje die ‘van ons’ is. Eentje die ‘risico’ kan en moet nemen als het gaat om sociale projecten die nog onbewijsbaar zijn. Eentje die niet gek is en zich laat ‘misbruiken’, maar wel uitgaat van vertrouwen.

Dán laat je de bestaande structuren achter je en stoomt op. Dan heb je geen burgerinitiatief, maar burger(s) met initiatief. Dan hebben we weer meer heft in handen.