De ironie van Leiden

O, ironie. Die openingswoorden zijn te rechtvaardigen. De stad waarin ook ik woon, Leiden, is recent nog geportretteerd door de VPRO als stad waar interessante burgerinitiatieven zijn te vinden en burgerparticipatie een kans krijgt.

Vandaag meldde het lokale Leidsch Dagblad dit:

Maatschappelijk akkoord in Leiden: hard nodig of niet?

LEIDEN – De Leidse politiek moet een akkoord sluiten met maatschappelijke organisaties, bewoners, wijkvertegenwoordigers, ondernemers en het onderwijs. Dat stelt het Instituut Maatschappelijke Innovatie (IMI) voor. Fractievoorzitter Pieter Kos van GroenLinks Leiden kwam vorige week met dezelfde oproep.

Het idee stamt uit een van de ’brainstormsessies’ van het Stadslab. Het zou gaan om een papieren verklaring, waarin de gemeente en andere organisaties vastleggen dat ze gaan samenwerken aan verschillende onderwerpen.

Het is een prachtig voorbeeld van niet-burgerparticipatie, van gesloten systemen, van zo ongeveer het diametraal tegengestelde van wat de VPRO dacht te hebben gezien in Leiden.

In Leiden gebeurt hetzelfde als wat in tal van gemeenten gebeurt. De overheid(sdiensten) vinden het helemaal niet préttig rekening te moeten houden met burgerinitiatief. Veel handiger is het één aanspreek-orgaan te hebben. Dat betekent voor de burger-met-een-idee niets anders dan een extra drempel.

Leiden heeft zoiets als Stadslab. Dat is bij zijn oprichting een mooi ogend concept. Een netwerk van mensen in de stad die iets willen mét de stad. In de loop van de paar jaar dat Stadslab bestaat, wordt steeds duidelijker dat niet iedereen en niet ieder idee wordt omarmt. In het openbaar wordt het idee uit ge-vent dat Stadslab door ‘de stad’ wordt gedragen. Wie dieper graaft, ontdekt dat dat absoluut niet waar is.

Door de politiek en de ambtenaren wordt Stadslab omarmt. Waar het klassieke probleem van inspraak vooral de Poolse landdag is, biedt Stadslab de weg naar één gesprekspartner. In gesprekken met politici komt dat terug. Stadslab wordt te hooi en te gras aangehaald als hét voorbeeld van dé weg. Je hebt niet eens (veel) fantasie nodig om de marsroute te zien: er is een poortwachter bijgekomen, die moet worden gepasseerd voordat initiatieven serieus worden genomen (door de overheid). Uiteraard gaat dat nú luidruchtig worden weersproken.

Het is een vanuit de oude denkwijze (paradigma) volstrekt vanzelfsprekende lijn. Waar ooit de opbouwwerk- en welzijnsorganisaties namens de bewoners leken te spreken, komen nu nieuwe verbanden. Die willen overigens nadrukkelijk níet worden gekoppeld aan die instituties van toen, die markt van welzijn en geluk. Het is nu de markt van participatie en integratie. Nieuwe woorden voor precies hetzelfde: zelfbevestigende systemen.

Voordat het misverstand ontstaat: het gaat níet om de ideeën op zich. Het gaat om de organisatie en de vraag wat burgerparticipatie nu eigenlijk is. In mijn beleving is dat een participeren van allen die dat willen. Dat, op zijn beurt, vereist een zo open mogelijke toegang tot de verdelers (van geld, maar ook bijvoorbeeld van ruimte). Alleen zó wordt de burger en zijn ideeën serieus genomen. En, ja, dat betekent wérken voor de overheid, omdat zíj daarin zijn enige bestaansrecht vindt.

Burgerparticipatie is niet synoniem aan het (weer) creëren van een maatschappelijk middenveld aan organisaties. Organisaties die per definitie in de verleiding worden gebracht een erkend eigenbelang te hebben en verdedigen. Dat eigenbelang mogelijk zelfs te ‘professionaliseren’; betaald werk er van te maken.

Leiden heeft de variant op het contrat social van Rousseaunog niet. Sterker, Rousseau heeft nooit een werkelijk contract voor ogen gehad. Zijn beeld was dat een ‘overeenstemming’ tussen overheid en volk over beider rollen en verantwoordelijkheden. Wat dat betreft, ben ik het volkomen eens met één van de Stadslab-oprichters Marije van den Berg:

Nodig elkaar gewoon uit om samen dilemma’s te verkennen. Beslissingen buiten de politiek zijn net zo goed legitiem, en zetten net zo goed dingen in gang, als een akkoord dat de politiek ondertekent.

Een maatschappelijk akkoord zoals men dat blijkbaar in Leiden ziet, is te letterlijk een ondertekend papier. Die aanpak zal leiden tot mínder directe participatie en tot meer ‘macht’ bij instituties. Het staat zo parmantig in het lijstje; ‘bewoners’. Maar ondertussen wordt ‘in hun belang en namens hen’ het een en ander dichtgetimmerd en voorgekookt.

NB
Begin van de avond. Het bestuursakkoord, eerste paragraaf. Trek je eigen conclusie (leestekens en woordkeuze zijn wél belangrijk):

Bestuursakkoord 2014 – 2018
Onderstaande partijen komen overeen:
Over de betrokkenheid van Leidenaren en inwoners van buurgemeenten
 de besluitvorming in college en raad zo in te richten dat (organisaties van) inwoners van Leiden vanaf de oorsprong invloed kunnen hebben op de planvorming van de gemeente;
 open te staan voor initiatieven uit de stad en deze initiatieven, indien gewenst, te ondersteunen en te faciliteren;
 in de komende maanden in overleg te treden met partijen in de stad die de afgelopen jaren initiatieven hebben ontplooid, om te bekijken
hoe de samenwerking met hen en anderen die initiatieven hebben nog beter vormgegeven kan worden;
 direct omliggende gemeenten te betrekken bij de voorbereiding van beleid dat de belangen van hun inwoners direct raakt;
 inwoners en partners in de stad zo veel mogelijk (door het college) te (laten) betrekken bij de uitvoering van gemeentelijke taken.

Een unieke eenheid gezocht

Het is nog steeds één van de beste indicatoren voor een principieel andere houding: de hoeveelheid definities voor één fenomeen.

In de tijd dat ik actief onderzoek deed, was dat vooral naar langdurige werkloosheid (en armoede). Daar valt veel over te zeggen. De wrangste opmerking is dat er in de voorbije bijna dertig jaar niets is veranderd. Echt. Nog steeds wordt de oplossing op de verkeerde plek gezocht. De mensen die geen banen overeind konden houden, zouden nu dan plots dat wel kunnen? Het is en blijft een ideeënarmoede en vooral gebrek aan lef.

Eén van de bijzondere aspecten aan die situatie is dat er níet vanuit één subject, één persoon, één klant, één vraag wordt geredeneerd. Dat is nog steeds zo. Vooral ‘de overheid’ is er sterk in. Ondanks al die himmelhoch jauchzend taalgebruik, voornemens en aanspraak op het gedachtengoed van de ‘klant centraal’ of ‘vraaggestuurd’.

Waarom dat zo is?

De belangrijkste reden is dat men het diep in het hart helemaal niet wíl. Vraaggestuurd en klant centraal worden vaak gezien als synoniem met afstaan van macht. Is die gedachte eenmaal uit z’n doos ontsnapt, dan wordt het lastig hem in toom te houden. Mácht afstaan; wie wil dat nou? Dan is met de mond belijden een stuk eenvoudiger. Dat gebeurt dan ook.

De wellicht beste indicatie voor de manier waarop wordt gedacht over degene voor wie wordt gewerkt, is de definitie ervan. Niet eens de inhoud, maar het áántal. Zo waren er rond de jaren 1989 meerdere definities van ‘werkloos’, van ‘arbeid’ en van ‘inkomen’. Dat is nog steeds zo.

Dat naakte feit getuigt van een aanpak die uitsluitend in het belang van de aanbieder is. In dit geval is dat een dienstverlener.Een?! Niks daarvan. Het zijn er meerdere, met hun eigen belangen.

Dan wordt het ineens een ander perspectief. Dat perspectief verraadt de overheidspositie die helemaal níet klantvriendelijk is.

Jij en ik ervaren onszelf als één en ondeelbaar, zowel fysiek als in ons handelen. Maar de definitievraag maakt duidelijk dat ‘de overheid’ dat niet zo ziet.

Ik ben vrijwilliger (vanaf m’n zestiende overigens). Maar de manier waarop de Belastingdienst dat definieert, zoals de wetenschap dat definieert, zoals het UWV dat definieert, zoals de gemeente dat definieert, spoort niet met elkaar. De belastingdienst definieert in termen van inkomen, terwijl een UWV dat doet in termen van arbeid. Die (kunnen) conflicteren. Wat je daar dan ziet gebeuren, is dat ondernemingsbelang prevaleert boven vraag of individu. Omdat ‘de overheid’ niet bestaat, maar is opgebouwd uit relatief onafhankelijke delen, leidt dat tot conflict. Waar sommigen meer vrijwillige inzet bepleiten, dwarsboomt de ander dat.

Over dat thema van aanbod- versus aanbodgericht denken en werken is meer bekend. De Kafkabrigade is er al een poos mee bezig. Jammer genoeg valt er een verschuiving te constateren in de negen jaar dat de Kafkabrigade bestaat. In 2005 gaat het vooral nog om de idioterie in overheidsland die de naam Kafkabrigade rechtvaardigt. In 2014 is die positie een stuk minder duidelijk, terwijl de idioterie geen spat minder lijkt te zijn geworden.

De conclusie is voor de hand liggend: er ís geen sprake van een klant centraal stellende overheid (en die zal er ook niet komen). Het maximaal haalbare is een zekere klantvriendelijkheid. Dat is echter echt iets anders.

Die hele discussie heeft ons nu al meer dan vijftien jaar als een rookgordijn afgeleid van waar het werkelijk om gaat: een gevecht tussen belangen. Met de digitalisering komt ook de ontmaskering dichterbij, omdat niet alles koppelbaar zal blijken te zijn.

Pas als we één unieke eenheid hanteren, kan dat lukken. En die unieke eenheid? Dat zijn bijvoorbeeld jij en ik.

Een man zonder eigenschappen

Komt de titel van deze blogpost je bekend voor? Dat is heel goed mogelijk, want het is een variatie op Musils De Man Zonder Eigenschappen.

Die roman is zo’n roman waarvan je denkt ‘die móet ik lezen’ – zeker ook omdat dat bijdraagt aan een intellectueel imago. Ik kwam nooit tot het eind. Sterker, ik denk dat ik niet heel veel verder dan de eerste honderd pagina’s kwam. In deel drie. Dat was zo’n dertig jaar geleden.

Een collega bij het Sociologisch Instituut, waar ik toen werkte, promoveerde en kreeg het boek kado. De titel intrigeerde me. Hij is imiddels al weer jaren hoogleraar en ik las het boek nooit uit. Maar de titel bleef zeuren.

Sinds een week of twee ben ik, weer, van plan zeker het eerste deel te gaan lezen. De reden daarvoor is een gesprek met iemand over de vraag wíe ik ben. Altijd leuk om over jezelf na te denken.

In dat gesprek heb ik mezelf omschreven als iemand die met veel gemak zijn rol als een mantel kan afleggen. Het kost me weinig moeite me in verschillende omgevingen te bewegen, zolang ik daar ook kennis/informatie kan opdoen. Vooral sociale (omgangs)vormen zijn boeiend. Of ik nu als chauffeur optreed, als docent, als blogger of als verslaggever; dát is de rol die ik dan heb.

Het is bijvoorbeeld leerzaam te weten dat de samenleving mensen vooral beoordeeld op hun beroep(sstatus) en helemaal níet op de wijsheid van hun gedachten. Dat wist je al. Maar je ervaarde het nooit.

Maar goed. Dat afleggen van die mantels, dat in zeker opzicht als een toneelspeler een rol aanmeten, is wat Musil ook beschrijft. Vandaar de gedachte dat ik zijn meesterwerk toch eigenlijk eens écht moet lezen. Of het ervan komt?!

Die vaardigheid jezelf uit te vlakken, onzichtbaar(der) te maken, op te gaan in je omgeving, is wat ik, jattend, maar ‘zonder eigenschappen’ noem. Het is een eigenschap waarvan ik denk dat-i waardevol is, maar die te weinig wordt herkend en gewaardeerd.

In de sociale wetenschappen bestaat de methode van de participerende observatie. Je bent deel van het te onderzoeken verschijnsel, maar houdt wél je onderzoeksdoel primair. Da’s dus nét anders. In de journalistiek kan het ook. Walraff is daar hét voorbeeld van. Hij nam de identitéit aan van de mensen die hij wilden beschrijven, tot en met uiterlijk, woonsituatie en dagelijks leven.

Het standpunt dat Musil uiteindelijk in zijn roman uitwerkt is dat het maatschappelijk handelen het ‘ik’ uitholt en uiteindelijk wegvaagt. Het leidt tot allerlei eigenschappen die de mens wegdrijven van wie hij werkelijk is. Een mens doet er daarom het beste aan afstand te nemen van het maatschappelijk handelen en te leven als een ‘man zonder eigenschappen’.

Ik trek zijn werk en betekenis dan wel uit z’n verband, maar de digitale wereld biedt ons wél de mogelijkheid te leven ‘zonder eigenschappen’ zoals Musil bedoelde.

Dat alleen al is reden genoeg om de 500 pagina’s toch maar eens te proberen te verteren.

Er is geld gevonden

Nu zit ik met een vraag:

is het echt toevallig, en mogelijk, dat nu plots vlak voor weer verkiezingen geld ‘wordt gevonden’ voor de langdurige zorg?

Ik geloof er geen barst van. Eerder lijkt het precies hetzelfde scenario dat Poetin op Oekraïne loslaat. Dat komt neer op pakken, pakken, pakken en dan zogenaamd iets toegeven. Maar ondertussen is er dan wel vanalles weg.

Nadat links én rechts is gewaarschuwd dat sommige bezuinigingen dramatische effecten zouden en die ook realiteit zijn aan het worden, zou nu plots het licht zijn gezien door de bende van Rutte en Samsom?!

Te laat. Te weinig. Te ongeloofwaardig.

Na deze oprisping dan nu aan het schrijven aan de blogpost van vandaag.

Een nieuwe institutie?

Instituties. Mooie dingen. Ze regelen ons gedrag en (dus) ons maatschappelijk verkeer. Er zijn er een heleboel; en dan bedoel ik een heleboel. Van de gemeenschappelijke taal en de mores – normen en waarden – tot en met ‘het onderwijs’, ‘de politiek’ en ‘het leger’. O, ‘het gezin’ is er ook een.

Instituties regelen sociale groepen. Da’s zowat de bondigste omschrijving die erbij hoort. Instituties staan nooit los van de samenleving. Ze zijn bijvoorbeeld gekoppeld aan de mogelijkheden die een samenleving heeft. In de vroege middeleeuwen worden arbeidstijden geregeld door het beschikbare (dag)licht. Arbeid was ‘gewoon onderdeel van het leven’. Met de komst van kunstlicht treedt de scheuring in, die tijdens de Industriële Revolutie een versnelling doormaakt. Arbeid en niet-arbeid raken – vooralsnog definitief – gescheiden.

Momenteel lijkt die scheiding ter discussie te komen staan.

Het was de produktiewijze – ‘in de fabriek’ en ‘op het kantoor’ – die vereiste dat werkers bij elkaar kropen, omdat daar de produktiemiddelen – de machines, gereedschappen, energie en licht – waren te vinden. Die industrialisatie is vanwege die scheuring een ‘revolutie’. De samenleving ging op z’n kop. Nieuwe verbanden en oplossingen waren nodig. Het paradigma wisselde.

Het bijzondere is dat we nu lijken terug te wisselen. Dat heeft alles te maken met het einde van de industrialisatie-ontwikkeling. Door mechanisering is daarin steeds minder mens nodig. Tegelijk ontwikkelde zich een vraag naar kenniswerkers en groeide de zakelijke dienstverlening. Koppel daaraan het nu beschikbare internet wat op grote afstand werken mogelijk maakt en het plaatje ontwikkelt zich.

Thuiswerken, het nieuwe werken: namen voor situaties waarin wonen en werken weer in elkaars nabijheid komen, in elk geval fysiek. Vooralsnog vooral een nieuwe vórm. Zeker de wereld van de zzp’ers is alweer een stap verder. Velen van hen werken in een context die vroeg-middeleeuws is: arbeid en huishouden zijn weer kort op elkaar betrokken. Werktijd en vrije tijd lopen door elkaar. Saillant, die situatie is niet per sé een vooruitgang. De ‘natuurlijke rem’ van daglicht bestaat immers niet meer.

Eigenlijk zou je nu een strijd om instituties verwachten. Mogelijkerwijs gebeurt dat al. Zeker de discussies over de positie van zzp’ers lijken daar op te wijzen. Waar zo’n twee eeuwen geleden de vakbonden ontstonden als tegenmacht tegen ongebreidelde wanorde – ten koste van arbeiders – en in het belang van díe groep, zo is er nu weer zo’n discussie nodig. Tóen waren het de vragen naar wat arbeid precies was, tot waar dat wiens verantwoordelijkheid was, wat wel en wat niet beloond moest worden.

Diezelfde vragen zijn ook nu aan de orde.

De kern is: wat is arbeid? Wat is de waarde van wat? Dat is abstract. Maar in een samenleving die beloont op basis van industriële verhoudingen is het niet (goed) mogelijk te denken en belonen op basis van een nieuw criterium. Terwijl dat wel noodzakelijk gevonden zal móeten worden omdat er steeds minder ‘beloonbaar werk’ – in dat paradigma – te vinden is. De huidige crisis is deels daaraan te wijten.

Die herdefiniëring zal een oplossing moeten bieden voor het ontstaan van een genetwerkte (dus gefragmenteerde) arbeidsomgeving. Alsof dat nog niet genoeg is: ook het betaalbaar geachte werk verandert. Betaalbaar was wat winstgevend was voor de werkgever-producent. Die situatie loopt ten einde nu robots meer zullen worden ingezet.

Dé vraag is wat de grondslag moet zijn voor ‘waarde(ring)’. Wellicht moet dat maatschappelijke inzet worden (en dan niet al die (semi-)professionele verbanden van mensen die belangrijk willen zijnn en feitelijk voor zichzelf, vermomd, aan het geld verdienen zijn). Nee, wat doe je altruístisch voor ‘de samenleving’?

Kaal?!

Laat ik beginnen te bekennen dat ik het probleem niet ken. Kaalheid. Op mijn hoofd groeit voldoende om iedere zes weken de kapster ermee aan de slag te laten gaan. En iedere keer halen de kapsters de beste marketingtruc uit die er bestaat: ijdelheid aanspreken. “Wat hééft u toch een mooi dik haar”

Wat me zo af en toe bezig houdt, is de vraag waarom steeds meer mannen geforceerd kaal zijn.

In mijn jeugd had je een type man dat je vandaag de dag eigenlijk nooit meer ziet. De kalende man had vaak een trench coat aan, een hoed op en daaronder bleek zich een atol aan verdunnend haar te verbergen. Hét voorbeeld van dat haar was, in mijn jeugd, de Boze Buurman uit Ja Zuster, Nee Zuster. Een sikkeneurig mens met een kale plek op z’n hoofd.

images (1)

Niet dat er meer echt kale mannen zijn dan toen. Wat er wel steeds meer is, zijn de nep-kalen. Dat zijn al die types die het hoofd kaal (laten) scheren. Het zijn absoluut niet fans van de coupe Amerikaans Leger, want de ellende is dat je vaak goed ziet dat het eigenlijk de kalende man is.

Een kale man is kaal. Egaal kaal en heel duidelijk zonder haargroei. De pseudo-kale heeft een probleem. Zijn haar groeit nog steeds en dat levert vaak van dat schemerhaar op. Daardoor ziet iedereen waar eigenlijk nog steeds haar groeit. De kalende man dénkt dat-i een kale man is.

Persoonlijk denk ik dat je er het best aan doet jezelf te accpeteren zoals je bent. Als dat kalend en grijzend is… soit. Verzet is nutteloos. Maar goed, ik kan me ook voorstellen dat er mannen zijn die er mee zitten. Het gedistingeerd grijs weg verven ís mogelijk.

Dat soort van ontwijkend gedrag kan zelf leiden tot een lemma in Wikipedia. Ik kende ‘m: de overkammer, de spuuglok, maar dan overlangs bovenop de schedel.

Interessanter vind ik de vraag waarom mannen dat scheren zo massaal zijn gaan doen.

Als ik mag. Mijn idee is dat het imitatiegedrag is. Om het lekker ongenuanceerd neer te zetten: de (film- en televisie)voorbeelden van de stoere held die kaal is én succesvol is, willen de pseudo-kalen imiteren. Wat mij betreft, bevestigt het aantal leren jasjes en jacks dat. In het Tijdperk van de Kalende Man waren die voorbeelden er niet. In het Tijdperk van de Pseudo kale wél. Toeval?! (Wellicht. Want op een sullig kaalplekje mannetje wil je óók niet lijken. Die (negatieve) hypothese kan ook waar zijn)

Het leukst aan het verschijnsel zijn de discussies ‘over kale mannen’. Zijn ze, in de ogen van vrouwen, nu wel of niet sexy? En, helemaal prachtig, hebben ze meer dan gemiddelde mannelijke hormonen? Worden ze gezien als leiders? En, jammer, hebben ze werkelijk meer kans op prostaatkanker?

Dat zijn allemaal discussies die gepaard zijn aan natuurlijke kaalheid. Jammer, pseudo’s.

Op zich is het weer ‘s niet verwonderlijk. Het is weer de afdeling ‘causaal’. Een bekende op die afdeling is de bewering dat creatieve mensen slordige bureaus hebben. Voor mensen met een slordig bureau is dat de bevestiging dat ze creatief zijn. Als je dan ook nog ‘s je kop kaal scheert, ben je meteen een zeer mannelijke, viriele creatief.

Voorlopig ben ík er niet aan toe. Het lijkt me ook niets. Iedere dag nog meer huid nat te moeten scheren met een vergroot risico op snijwonden en -wondjes.

scherenkop

Georganiseerd sociaal

Er is een nieuw medicijn op de markt. Het werkt tegen allerlei kwaaltjes, maar doet zelf niets.

Het medicijn heet sociale wijkteams (SWT). Kort gezegd: interdisciplinaire teams die op wijkniveau opereren. Dat interdisciplinaire zit in de lift. In de psychiatrie bestaan ze al langer, onder de naam (F-)ACT. En met geregeld succes.

Het zijn opvallende interventies. Als eerste omdat de cliënt centraal wordt gesteld. Hij of zij wordt actief opgezocht en op – heel subtiele – wijze verleid terug te keren in behandeling. Zeker de ACT-ers werken heel sterk vanuit de situatie van de klant en pakken díens grootste problemen eerst aan. Die zijn nooit mis, omdat de meeste klanten (zware) psychiatrische problematiek kennen en/of dak- of thuisloos zijn. ‘Zorgwekkende zorgmijders’ een wonderlijk mooi klinkende vakterm voor een ernstig probleem.

Ten tweede omdat eindelijk wordt erkend dat een klantperspectief betekent dat schotten niet worden gezien. Voor een klant maakt het immers niet uit wie de hulpverlener betaalt of aanstuurt, zolang zíjn probleem maar wordt opgelost.

Sociale wijkteams zijn ook interdisciplinair. Dat is pure winst, want veel van de (overheids)dienstverlening is niet zo enorm ontschot.

Ondanks dat is het van belang goed op te letten. ACT is een aanpak die niet een-twee-drie in het werk is te parachuteren. Het vereist vooral een andere hóuding, naast nieuwe werkwijzen. Niet voor niets is het nog steeds niet zo dat heel Nederland is vergeven van de (F-)ACT-teams. Zorgvuldigheid kost tijd.

Sociale wijkteams beangstigen me dan ook. Als paddestoelen in de herfst schieten ze zu uit de grond. De drijfveer is níet de vrager. De drijfveer is aanstormende wetgeving en bezuiniging per 1 januari aanstaande. Dat zijn haast garanties voor miskleunen. Het zijn de verkeerde drijfveren.

Mijn verwachting is dat veel sociale wijkteams zich niet zullen (kunnen) ontworstelen aan de bestaande werkwijzen en verhoudingen. De kans is groot dat niet sociale (netwerk)ondersteuners ontstaan, maar Nieuwe Bemoeials. Ja, ja, daarop bestaan uitzonderingen en er gaan ook zeer zeker successen worden behaald.

Waarnaar ik bijvoorbeeld razend benieuwd ben, is het antwoord op de vraag of de sociale wijkteams de (eigenaardigheden in de) samenleving zullen accepteren of gaan proberen te vormen.

Da’s niet zo’n vreemde gedachte. Het zijn grote geïnstitutionaliseerde hulp- en dienstverleners waarover we het hebben. Die kennen protocollen en verhoudingen. Die kennen (interne) verantwoordingssystemen. Die kennen – bewezen – hun potentiële klantpopulatie niet echt goed.

Sociale wijkteams moeten het sociale weefsel onderhouden en verstevigen. Dat zijn, denk ik, vooral al die informele netwerken en initiatiefjes. Dat weefsel bestaat níet ‘vooral uit wijkverenigingen en andere formele verbanden’. Dergelijke verbanden zijn eerder de tegenspelers van de instituties; ontstaan ook vanwége die instituties (omdat er bijvoorbeeld geld te halen valt). De vuistregel ‘als je wordt bejubeld door de gevestigde partijen bén je zo’n partij geworden’ klopt.

Nog complexer wordt het als je je de samenleving voorstelt die je als SWT wordt geacht te faciliteren. Die lijkt geordend, maar is het niet. Gedrag en ideeën accepteren, is iets heel anders dan die trachten te beïnvloeden, laat staan sturen.

Dat lijkt mij dus de grootste angst. Dat er weer een laag bij komt die het goede met je voorheeft, maar feitelijk ook heel makkelijk kan doorschieten in normeren. Kijk, die rare snuiter die op straat loopt, hoeft helemaal geen GGZ-cliënt te zijn.

De wijk krijgt ogen en oren door de wijk zélf in te schakelen. Da’s een pracht recept voor (dodeljk verstikkende) sociale controle. Dat iedereen, met alle goede bedoelingen, anderen gaat beoordelen op hulpbehoevendheid. Er is zelfs al een gemeente waar dat formeel is gemaakt. Daar zijn vijftig wijkbewoners ‘ogen en oren’.

Da’s het verschil. De aandacht voor de ander wordt georganiseerd. De aandacht voor de ander is niet oprecht in de zin vanzelf ontstaan.

Maar goed. Laat ik de teams een kans geven. Wellicht zitten er wel teams tussen die echt grenzendoorbrekend zullen blijken te zijn. Dat zou mooi zijn.