Een onbeschofte

Hoe doe jij dat?

Je staat met iemand te praten. Degene met wie je spreekt, is iemand die je niet echt góed kent. Dat is wederzijds. Als je een vraag stelt, krijg je stomweg géén antwoord. Het Ik Praat Tegen Een Muur-effect.

Het ergste geval daarvan wat ík ooit meemaakte, is een hoge ambtenaar, die ik wel degelijk kende, die stomweg midden in een gesprek wegliep omdat-i een interessantere sociale relatie zag. Over fatsoen gesproken.

Dit soort mensen en hun gedrag, hoort in mijn mapje ‘onbeschofte horken’. Ik vind het stuitend. Als iemand iets tegen je zegt in een context die je beiden vrijwillig koos in de wetenschap dat er met je kan worden gesproken, vind ik dit werkelijk buiten alle grenzen. Hautain-arrogant.

Ik ben dan best wel rancuneus. Iemand die zich zó gedraagt, wíl ik niet eens kennen. Die zal ik proberen straal te negeren. Gelukkig ken ik maar een paar van dergelijke idioten (vaak ‘leidinggevenden’, die inderdaad psychopatische trekjes (b)lijken te hebben).

Het vreemde aan mijn mapje is dat er relatief weinig echte mensen in zitten en relatief veel digitale vormen van echte mensen.

Zo langzamerhand begin ik me wat zorgen te maken over wat ik zie gebeuren. Ik denk dat op social media-platforms dit horkengedrag veel meer voorkomt, met Twitter als extreemste vorm.

Iedereen die in een of andere vorm ‘aan social media doet’, is bewust een wereld ingestapt waar het gesprek de kern is. Dat je uit jezelf niet in gesprek gaat met wildvreemden is tot daaraan toe. Niet reageren op een poging tot gesprek van een ander, is niet anders te karakteriseren als (misplaatste) hoogmoed. ‘Jij spreekt met mij, maar wie bén je eigenlijk?’.

Begin nu niet met slappe excuses als ‘maar ik heb veel te veel volgers en mensen die met me willen spreken’. Dan moet je je zorgen dat het wél behapbaar is. Wellicht zelfs jezelf afvragen wat je in vredesnaam aan het dóen bent als het zoveel is. Dat, immers, is dan een zinloze situatie, die – cynisch genoeg – anderen gebruikt om jóuw status op te baseren.

Ik temper m’n aantal volgers in de zin dat ik niet met alle geweld op zoek ben naar méér. In zeker opzicht trots ben ik op het feit dat ik altijd iedereen heb geantwoord, met uitzondering van maximaal tien gevallen waarin het niet kón.

Zoals ik een paar dagen terug blogde over de manier waarop groepen in- en uitsluiten: dit is precies dezelfde techniek. Geen antwoord geven, is het signaal afgeven dat je de ander niet van een niveau acht waardoor je antwoord zou moeten geven. Je verwaardigt je niet daartoe, tot dat niveau.

Aan beide zijden van een social media lijntje bevinden zich ménsen. Dat betekent dat daar echt nog steeds conventies bestaan die dit gedrag interpreteren als ‘sociaal uitsluitend’. Dat dienen de niet-antwoorders zich terdege te moeten beseffen, in het bijzonder diegenen die zichzelf de status ‘superieur’ hebben aangemeten.

Twitter is een sociale puinhoop. Twitter is wellicht de openste van alle social mediaplatforms. ‘Slotjes’ op Twitter-accounts zijn nog steeds geen teken van de juiste mores kennen. Google+ en Facebook zijn al een stuk geslotener: daar hebben je vríenden zich om je heen verzameld. Het karakter van Twitter is anders; veel meer gericht op gesprekken met nieuwe onbekenden. En dan niet antwoorden?!

Mij zal het niet verbazen als (de opener) social media aan een neergang zijn begonnen, juist door dit soort van onderschatting. Ik hoop van harte van niet. Zeker in de beginjaren heb ik heel veel waardevolle contacten en waardevolle kennis opgedaan, maar ik zie ook de teloorgang bij Twitter: reclame-zender.

Zou ‘t? …. Echt?!

Onze overburen zijn een bijzonder stel. Nu zijn het er honderdenveertig, naar ik meen. De kans dat er mafklappers tussen zitten, is dus vrij groot.

Toen we hier een jaar woonden, was-i klaar. Een half jaar later konden we meteen de nieuwe bamboevloer laten schuren. Na anderhalf jaar had het bouwzand – er lag vóór nog geen bestrating – die beruchte ‘eerste kras op nieuwe spullen die pijn doet’ echt wel voor elkaar.

In de paar maanden daarop volgend, kwamen ze. De idioten.

Onze overburen hebben het idee dat de straat van hen is. Da’s natuurlijk niet zo. Wat van hen is, is de stoep vlak voor hun flat (zij noemen het liever appartementencomplex in verband met prijsstelling). Van de twintig meter tussen hun gevel en de onze zijn er twee, drie van hen en twee van ons. Zo’n vijftien meter is publiek domein.

Sinds het moment – een jaar of twee later – dat de VVE zes(!) borden ophing met het beroemde art.461-verbod en de zin dat dat met name gold voor spelende kinderen, heb ik die hele flat voor gestoord verklaard. Jammer, jongens, jullie zijn allemaal samen de VVE. Geen uitzondering.

Hoe maf ze zijn, bewijzen sommige bewoners nog steeds. De piek zat in de eerste maanden na het opschroeven. Een oud chagrijn dat zich blijkbaar Koning van de Stoep waant en een jonge trut met werkelijkheidsvrees sturen dan kinderen naar de rijbaan om te spelen. “Ze maken het dak van de parkeergarage lek met hun gewicht”. Volslagen imbeciel, wat denk je van de verhuiswagens???

Het is een stukje minder nu. Maar nog steeds is het soort rariteitenkabinet.

Aan de overkant woont ook een drugs-stel. Onduidelijk is of ze nu afnemer of leverancier zijn. Geregeld verschijnen er Marokkaantjes op scooters – ‘s zomers – of in Golfjes – ‘s winters – die opvallend onopvallend parkeren, aanbellen en dan na een paar minuten weer vertrekken. Lást heb je er niet van; maar wat ze nu iedere keer komen halen of brengen? Het is net zo’n knagend probleem als in de trein maar de helft van een telefoongesprek kunnen horen.

Sinds een paar maanden hebben ze een nieuw ritueel erbij.

Vanmiddag parkeerde een auto aan onze kant van de straat. Dat gebeurt wel meer.In dit geval was het anders: de bestuurder bleef achter het stuur zitten. Gebeurt ook wel meer; er zit aan de overkant ook een tandarts en vrees daarvoor is denkbaar. De bestuurder belde mobiel. Ook niet nieuw; een poos geleden zat er iemand meer dan uur vanuit z’n auto te bellen. Je ziet nog eens wat met zulke glazen gevel aan de straatkant van je huis.

Na een minuut of vijf leek het alsof een hond hysterisch was geworden. Geblaf en gekef. Meer gekef dan geblaf overigens. Van een inderdaad hysterisch rondspringend hondje.

De man uit de auto was uitgestapt en het hondje had ‘m opgemerkt. Blijkbaar was hij de reden voor enerzijds de hysterie en voor het wachten. Als het hondje niet rustiger werd, leek hij serieus het risico van zelfverwurging te lopen.

De vrouw geeft de riem van het beestje aan de automobilist. Blijkbaar vind het hondje dat prima, want hij wordt rustiger. Aan het interieur van de auto te zien, is ‘een hond’ ook een geregeld passagier; er hangt een net tussen achterbank en kofferruimte.

Ze staan nog een minuut of drie te praten. Aan de lichaamstaal te zien over serieuze zaken. Er kan geen lach van af. Het hondje is nu weer rustig.

De man en het hondje stappen in en rijden weg. De vrouw is dan alweer in de flat verdwenen.

Dan schiet de vraag plots binnen:
zou het zo zijn dat dit een omgangsregeling is?

Een regeling tussen ex-partners over wie wanneer het kind, excuus de hond, mag zien. Ik ben benieuwd of er ook een meldpunt is voor honden met post-echtscheidingsstress.

Leven en dood van de tulp

Lisse/Sassenheim, 22 april 2014

Ochtendlicht.

De velden rondom het bollenparadijs ontwaken. De eerste auto’s nemen plaats op de vluchtplaatsen.

Een half uur later.

De velden zijn half ontwaakt.
Langs de randen van de velden hurken mensen neer. Kleur.

Namiddaglicht.

Welhaast een religieuze ervaring.
Samen op de gevoelige plaat, strijklicht en warmte.

Een half uur later.

Tussen de kleuren figureren nog steeds mensjes.
Aan de andere kant kopt een machine kleurige tulpenhoofdjes weg.

Morgen.

Groene stengels. Spetters kleur.
De machine kopte niet alles.
De kleur is weg.

Gevestigden en buitenstaanders

Eerder op de dag had ik besloten iets te bloggen over ‘het gedoe in en over Duindorp’. Op het moment dat ik dat wil opschrijven, zendt EenVandaag een verslag uit over honderd jaar Bakkum. Een geschenk, zoals ik hoop op te schrijven.

Waar zijn ze gebleven? De mannen van de grondige onderzoeken en theorieën. Niet, zoals Sherlock Holmes dat noemde, de inductieve maar de deductieve denkers. Ofwel: niet een theorie vormen en daarna op zoek gaan naar bewijs ervoor, maar ‘feiten’ verzamelen en op basis daarvan een verklaring, een theorie vormen. Het belangrijkste: de basis ligt in de empirie, de werkelijkheid van alledag.

Norbert Elias was zo’n reus. Veel van zijn werk heeft mij geïnspireerd. Hij schreef ondermeer Gevestigden en buitenstaanders (moet je vooral ook eens lezen om te begrijpen wat de functie van roddel is).

Wat Elias vond, is hoe eerdere leden van een groep – een wijk – een drempel opwerpen tegen nieuwkomers. Die gevestigden weten de weg – zowel fysiek als sociaal – en kennen elkaar: ze hebben meer macht. Met een ongewenste instroom van nieuwkomers is de stap naar superioriteitsgedrag héél klein: je vertelt niets en overtuigt jezelf er op die manier van dat jij het beter weet, beter bént. Het mooiste in zijn analyse vond ik de rol van roddel daarin. Lezen, dus!

Dat Duindorp in de media verschijnt, is niet onterecht. Het ís al jarenlang een gesloten gemeenschap geweest. Iedere Hagenaar kent het wijkje en z’n beruchte naam. De jaarlijkse strijd met De Woeste Hoogte, iets verderop. Als kinderen werd ons al geleerd dat je dáár niet moest komen. Er willen wónen, kwam niet eens bij je op.

Toch klopt er iets volslagen niet in die media-aandacht. Duindorp, en al z’n broer- en zuster-wijken elders in het land, zijn niet racistisch. Dat zijn ze óók. Maar in essentie zijn ze tegen iederéén waarvan zij vinden dat-i er niet hoort. Sommigen zijn echter machtiger, anderen zwakker. Duindorp als gesloten gemeenschap wordt dan ook kapotgeslagen door de bouw van een reeks (duurdere) woningen en de plaatsing door de woningbouwvereniging van nieuwkomers.

Met de kennis van Elias praat je dat afwerend gedrag niet goed. Niet in Duindorp, niet op de Veluwe – waar in jaren zestig nog ongetrouwde stellen op een paardenkar door het dorp werden gesleept -, niet in .

Het is, denk ik, gelul dat de verklaring voor een buurt als Duindorp ligt in beelden als dat het ‘al eeuwenlang een visserswijk’ is. Het is eerder een soort mestvaaltje van Scheveningen geweest, lekker in een uithoek. Niet zo vreemd dat je dan (in al die buurten) een levenswijze krijgt waarin de eigen kracht voorop staat, of dat nu scherp of gevat taalgebruik is, of fysieke kracht.

Frappanter is dat de ‘buitenwereld’ heel bevooroordeeld kijkt. Duindorp wordt tot op de grond afgefakkeld en veroordeeld. Maar de scheiding op Bakkum – in essentie precies dezelfde – wordt afgezwakt tot een situatie waarin twee culturen op hetzelfde grondgebied bestaan door elkaar te vermijden. Volgens een kampeerder ‘is het een weergave van Amsterdam, waar ook verschillende culturen naast elkaar bestaan’.

Wat-i blijkbaar níet ziet, is dat-i Bakkum tot ‘Amsterdam’ verklaart. Wat-i niet ziet, is dat de scheiding wordt ‘geaccepteerd’ en dat alleen op neutraal terrein men in elkaars nabijheid komt. Dat klinkt allemaal enorm dramatisch. Er zijn ongetwijfeld uitzonderingen.

Dat fenomeen gevestigden en buitenstaanders kom je op zoveel plaatsen tegen. Van buurten en wijken tot sociale groepen als trendwatchers en guru’s. Het is geen boude voorspelling dat in die groepen allerlei meningen rondgaan over mensen die zichzelf óók trendwatcher vinden. Schrijvers en journalisten over burgerjournalisten en amateurschrijvers. ‘Oud geld’ over ‘nieuw geld’. Roddel heet dat. Daarmee beschermt de gevestigde groep zich.

Even los van de ongewenstheid: het is iets te eenvoudig om te denken dat het ‘alleen maar’ om racisme gaat in Duindorp.

Van m’n geloof gevallen

Vooraf. Ik las veel. Nu minder. Wat er niet veranderd: ik lees nog steeds niet vanzelfsprekend historisch verantwoord werk. Met name romans ‘over de oorlog’ en (auto)biografieën boeien me niet.

Zoals James Bond wijs opmerkt: “zeg nooit nooit”. Er zijn uitzonderingen. Zo las ik HhhH van Laurent Binet wél. En ik kan ‘m je aanraden. Om je de waarheid te zeggen; het was de titel die ‘t ‘m deed. Ik heb wel tien minuten met het boek in m’n handen gestaan en toen besloten dat Himmlers hersenen heten Heydrich een wel zó intrigerende titel is dat het mogelijk de moeite waard zou zijn. Het bleek de vorm die ‘t ‘m deed.

Verder lees ik dat genre eigenlijk zo goed als niet. Mijn voorkeur gaat uit naar de Kafkaïanen. Dat interpreteer ik lekker breed, zodat ook De helaasheid der dingen van van Dimitri Verhulst er onder valt. Maar ook Stefan Brijs’ De engelenmaker. En ook de magisch-realisten (bestaan dat genre beoefenen eigenlijk nog?). De andere voorkeur geldt de stijl van de schrijver. Bloemrijk, ritmisch, archaïsch woordgebruik: beschrijf maar eens wat ‘mooi’ is. De Tachtigers deden dat. Dichters doen het. En zeker de eerste haiku-dichters konden het.

Voor mij is het heel vanzelfsprekend: binnen dat type voorkeuren passen autobiografieën niet. Het zal je toch bommen wat president Roosevelt als ontbijt at? Wat Chuchill besprak met z’n militaire staf? Dat hij wel of niet anti-semitisch was? Evenmin loop ik warm voor het levensverhaal van ‘royalty’.

Toch lees ik nu een autobiografie. Omdat ik de eerste honderd (en drie) pagina’s al zo goed vind, is deze blogpost er.

Het is de autobiografie van Joe Jackson Een overwinning op de zwaartekracht.

Niet dat ik meteen helemaal de drempel over was. Ik weet dat ik las dat de autobiografie gaat over het deel van zijn leven totdat-i een eerste platencontract krijgt. Dát deed ‘t ‘m. Eindelijk een boek waarin de bouwstenen van een leven, en alleen die, de aandacht krijgen en niet de prietpraat over wie wat speelde of hoe Is she really going out with him – of het (veel mooiere) Slow Song – tot stand kwam. dat vind ik minder interessant dan te snappen wie de persóón is die dat maakte.

Waarom deze autobiografie wél? Omdat hij niets mooier maakt en vooral omdat hij juist een beeld geeft van al die vormende ervaringen in iemands jeugd.

Kloppen ze? Geen idee. Ongetwijfeld niet precies. Maar ze zijn wel verdomd geloofwaardig, en ze zijn zo goed geschreven dat je (ik) binnen de kortste keren vergeet dat dit het verhaal van Joe Jackson is. Je leest het verhaal van een jochie dat in een gezin en een buurt opgroeit waar hele andere zaken belangrijk worden gevonden dan degene die hij vóelt dat belangrijk zijn.

Als ik mezelf als referentie zou nemen, dan is de kans groot dat veel is verzonnen. Mijn beeld van m’n jeugd is niet zó rijk aan details. Dat neemt niet weg dat veel, heel veel, van wat hij beschrijft me bekend voorkomt. Een slungelig, niet in die omgeving passend jochie (niet dat ík daaropvolgend een precies beeld had van wat ik zou willen worden).

Het zijn iedere keer korte alinea’s, ogenblikken waardoor ik me gewonnen gaf. Misschien ook omdat we van ongeveer dezelfde leeftijd zijn. Het zijn níet die over muziek gaan, maar die over het gezin en zijn school gaan. Ik ben te lui om er een paar over te tikken, en ze zijn ook te lang. Eentje dus, over de keer dat-i de Rolling Stones hoorde:

Ik voelde een golf puberale adrenaline – sterk spul – en zei hardop tegen niemand in het bijzonder: “Als ik groot ben heb ik ook zo’n band”.
Mijn moeder, die zat te breien en totaal niet onder de indruk van de Stones was, zei: “Dat is leuk, schat”, of woorden van die strekking. Alsof ik had gezegd dat ik de grootste postzegelverzameling zou hebben als ik groot was.

En passant staan er ook mooie gedachten in, over arbeiderswijken, cultuur, popmuziek, snobs, schoolsystemen, muziek(techniek) en pesten.

Jammer genoeg ben ik al bijna op de helft van het boek. Naar de muziek van Joe Jackson luister ik nog steeds op dezelfde manier als voorheen, denk ik. Maar de man zal ik waarschijnlijk anders waarderen.

Knobbel

Het gebeurde op een feestje.

Klassieke nederlandse huis- en verjaardagsfeestjes bestaan vaak uit grote cirkel mensen, kopjes koffie met gebak, en later op de avond een drankje met nootjes. Dat is o zo makkelijk bespotten van dergelijke feestjes. De oppervlakkigheid van de waarnemer spat er van af. Die ziet blijkbaar vooral (alleen?) de vorm.

Het gaat niet om de vorm, maar om de inhoud. Wat gebéurt er eigenlijk tussen mensen? Dan kun je met het nodige dedain neerkijken op ‘burgertruttige zitverjaardagsfeestjes’ en denken dat snuif- en partnerwisselfestijnen superieur zijn; toch zit je er grandioos naast. Sterker, de kans is groot dat de sociale meerwaarde van de klassieke feesten groter is dan je denkt.

De reden is eenvoudig.

Feestjes zijn een situatie waarin de vaardigheid een gesprek te kunnen voeren, noodzakelijk is. Kom je naast een wildvreemde terecht, dan is prietpraat een prima ijsbreker. Kom je naast een bekende, dan is een gemeenschappelijk onderwerp sneller te vinden. De vaardigheid is vooral niet te snel te diep te graven in de ander en diens leven. Je kunt snel te intimederend zijn door te vragen naar vermogen, sex-leven of andere (zeer) persoonlijke karakteristieken.

Ik heb een bolletje onder m’n voet. Niet pijnlijk en ook niet hinderlijk. En volgens de huisarts ook niet ernstig, gevaarlijk of levensbedreigend. Het is gewoon een bolletje. Een ganglion cyste in jargon.

Op het feestje kwam op een gegeven moment dat bolletje ter sprake. Hóe en waarom weet ik eerlijk gezegd niet eens mee. Wat wel bijzonder is, is dat nog twee mensen zoiets bleken te hebben. En ook zij hadden er geen last van. Enge voetamputaties of naalden in de voetzool zijn niet aan de orde. Gelukkig.

Als je naar dit verhaal en het feestje kijkt, snap je meteen wat de kracht van social media is. Het is één groot feest, met dezelfde effecten als een familiefeest.

Via social media wordt de smeerolie van de samenleving rondgepompt.

Dat zijn triviale feitjes. Dat zijn regelrecht onjuiste feiten. Dat is prietpraat. En het kan natuurlijk net zo goed diepzinnige wijsheid en tot nadenken aanzettende gedachtegoed zijn.

Het is in dat opzicht precies dat wat in een andere tijd de informele feestjes en bijeenkomsten deden: mensen met elkaar in contact brengen, op basis van non-bedreigende gesprekken.

Niet dat ik de stug negatief denkende lezer wil overtuigen. Da’s zinloos. Maar wellicht is het voor de voorzichtige mens een idee een stil te staan bij zijn weerstand. Want naar die verjaardagsfeesten ga je waarschijnlijk wel?!

Dualisme

Leiding geven en sturen zijn lastig om goed te doen. Alhoewel het land inmiddels is vergeven van de leidinggevenden zijn er maar weinig leidinggevenden. Dat vereist charisma en visie, waarop gezag is gestoeld. De misleiden van nu die zichzelf leiding vinden geven, doen dat in negen van de tien gevallen op basis van macht.

In de gesprekken die ik de afgelopen maanden met Leidse politici voerde, kwam het verschijnsel leiding geven ook aan de orde. Met gedachten die de moeite waard zijn om bij stil te staan.

Er lijkt in Leiden een zekere consensus te bestaan dat een stadsbestuurder aan vier jaar te weinig heeft. Eigenlijk zou hij er zes moeten hebben om plannen voor te bereiden en uit te voeren.

Dat klinkt logisch. Maar het reikt óók een mogelijke verklaring voor de inertie aan die ‘de overheid’ karakteriseert in de ogen van half Nederland. Leiding geven is níet afhankelijk zijn van de omgeving, maar in wat zij de politieke realiteit noemen is dat wel de situatie. Leiding geven bij de overheid zou dan níet lijken op leiding geven elders.

Daarin zit een grote, harde kern van waarheid. De vraag is of je die moet accepteren als onvermijdelijk. Dat leidt tot (de indruk van) besluiteloosheid en zeker tot machtsstrijd als gevolg van onduidelijke krachts- en machtsverhoudingen. Gezaghebbend leiderschap heeft een functie. Zeker overleg op basis van gelijkwaardigheid – level playing field – kan niet goed zonder zo’n gezaghebbend knopendoorhakker.

Blijkbaar is ‘de overheid’ daar niet goed in (en z’n semi-publieke sector trouwens evenmin), waardoor het niet zozeer een kwestie is van meer tijd aan de wethouder gunnen als gezaghebbende wethouders. En dan moet je de oude gedachte van de vierde macht weer eens afstoffen. Want dat gezag krijg je niet als wethouder. Dat word je gegund, vooral ook door je ambtenaren. Die weten dat. Wellicht ken je de voorbeelden zelf? Overleg, leidend tot een moeizaam akkoord waar niemand zich helemaal wel of helemaal niet in vind, en dan, na de vergadering en afspraken, niets ervan uitvoert.

Zeker, er valt iets te zeggen vóoŕ die zes jaar. Net zo goed als dat er valt te zeggen vóór een prestatieafspraak.

Wie met wethouders spreekt, krijgt de indruk dat zij over het algemeen tevreden zijn over het duale stelsel waarin de gemeenteraad vooraf de koers uitzet en gedurende de rit op hoofdlijnen controleert. Mij lijkt dat ook logisch. Een eng keurslijf en op je vingers kijkende raadsleden geeft niet allure en vrijheid van een bestuurder, maar van een uitvoerder. Vrijheid van handelen en zelf kunnen reageren op (veranderende) omstandigheden, is dan veel aantrekkelijker. Helemaal mee eens.

Toch is die verhouding ongelooflijk essentieel, omdat het eerder een bestuur is met twéé kapiteins dan met één. Ja maar, zeg jij, in ziekenhuizen en theaters gaat dat ook goed met een zakelijk directeur en een inhoudelijke? Nog afgezien van wie een mogelijke onenigheid ‘wint’ – ik gok op de zakelijke overweging – is de verhouding anders. Het zijn niet twee meningen, maar een mening en een serie meningen die samen moeten optrekken. Alsof je samenwerkt met een collega die zijn standpunt nog niet heeft bepaald en daar ook nog wel even mee bezig is.

Een bestuursakkoord, dus? Daarin regel je de basale zaken, zoals ondermeer dit:

Over het vertrouwen

- het vertrouwen in een wethouder niet op te zeggen, als deze ander beleid uitvoert dan de eigen fractie voorstond of voorstaat; de enige manier om dat beleid te stuiten is door een raadsmeerderheid te vinden die het onderliggende besluit wijzigt;
- de vertrouwensregel uitsluitend te gebruiken binnen de controlerende taak van de raad; als gevolg hiervan valt een college niet als een wethouder moet aftreden, maar wordt deze vervangen door de partij waaruit hij/zij afkomstig is, dan wel wordt desgewenst een andere
partij in het college betrokken;
- beheersing te betrachten in de beoordeling van bestuurlijk handelen wanneer dit individuele en incidentele gevallen betreft waarbij de gemeente een bijzondere verantwoordelijkheid heeft.

Over de omgang met elkaar

- respectvol te zullen omgaan met elkaar, met alle inwoners, met partners en ambtenaren, zoals ook opgenomen in de gedragscode voor raads- en commissieleden;
- terughoudend te zijn met het agenderen van individuele en incidentele kwesties , zoals die mogelijk voortkomen uit de decentralisaties in het sociale domein;
- om in stellingnames het belang van en de omgang met de minderheid mee te wegen.

Het zal mijn kritische ik zijn die me toefluisterde: met dat eerste aandachtstreepje zet je de raad aardig op afstand als je dat wenst en partijen buitenspel. Je zal maar een wethouder naar voren schuiven die niet sterk in z’n schoenen staat en opschuift.

Zou je dus niets kunnen zónder de steun van de partijen die daardoor sterker werden?!