Vrijdenkende laaglanders

Toen ik er werd geboren en de eerste elf jaar van mijn leven doorbracht, was het nog een zelfstandige gemeente. Een dorp eerder, alhoewel wij wél het eerste echte winkelcentrum van Nederland hadden: In de Boogaard. Rijswijk, dus. Dat zich haast Gallisch standvastig verzette tegen grote buurman Den Haag. En die strijd nooit verloren heeft, noch gewonnen. Beide gemeenten zijn inmiddels min of meer vergroeid.

Den Haag was voor ons de natuurlijke oriëntatie. Daar deed je inkopen die de plaatselijke De Gruyter-supermarkt of boekhandel Paagman te boven gingen. In ‘de stad’ had je VenD, de HEMA, de Passage en De Bijenkorf. Dat er ook een Bonneterie is, ontdek je pas als je uit de richting van Wassenaar naar Den Haag gaat. En dan weet je ook meteen dat dat niet Jouw Soort Winkel is.

Met Den Haag heb ik een complexe relatie. Iets van haat-liefde. Nog steeds mis ik bijvoorbeeld de sfeer van het voormalig station Staatsspoor. Dat is alweer een hele poos Den Haag Centraal. En daarmee zit je meteen in het lelijkste deel van Den Haag: de wijken rondom Den Haag Centraal, en in het bijzonder rond het Spuikwartier. Met de megalomane departmentale gedrochten is dat een zeldzaam lelijk gebied geworden, en het gáát maar door.

Van de week liep ik uit de richting van het Provinciehuis en de laagvlakte die ze in Den Haag Malieveld noemen, naar station Den Haag Centraal. Rechts voor je zie je dan het gebouw van OC&W, voor ‘cultuur’ behoorlijk nietszeggend. Je ziet nog net het VROM-gebouw, nog steeds één van de boeiendste daar. Verder richting de binnenstad zie je de mislukking van VWS, met z’n ‘cockpit’. Welke idioot dat bedacht…. vast iemand met een UFO- of pilotencomplex. En dan lijkt de stijl van dat pan nog gejat uit de strips van Superman. Houden we aan die kant nog één complex over, met drie torens: BZK en Justitie. Zó lelijk, dat zelfs de kleurgrap rood-wit-blauw waarin de drie torens zijn uitgevoerd, werkt als een vlag op een modderschuit.

Aan de linkerkant is het ietsiepietsie beter. De nieuwbouw van Babylon is ook niet bepaald spectaculair, maar in elk geval wel luchtiger. En het nieuwe station… dat is nog niet klaar. Maar de tekeningen en fotomontages doen het ergste vermoeden.

Kortom, het is zó lelijk.

20120801-193703.jpg

Maar het is ook zo groot. De menselijke maat is verdwenen. Wie zich in deze wijk beweegt, voelt de nietigheid. Het zal je duidelijk worden gemaakt: hier telt het individu niet. Hier worden Grootse Dingen gedaan in het Algemeen Landsbelang.

Je mist er de de krácht van Nederland door alle eeuwen heen. Je mist er de weidsheid van de zee, van de polders, van de voorbijrazende wolken. Je mist er daardoor de openheid van geest.

Wat je ervoor terugkrijgt, is een geconstrueerd berglandschap. Een gebied waarin je slechts meters ver kunt kijken, waar de geest niet verder weg kan dwalen tot aan het kantoor aan de overkant. Waar de lucht en de horizon niet meer zijn te zien.

Dat is o zo belangrijk: spelen. Niet voor niets hechten creatieve bedrijven veel waarde aan sfeer. Niet voor niets rouwen mensen over het verdwijnen van oude, inefficiënte werkplekken in ruil voor nieuw. Want die oude gaf ruimte voor creativiteit, éiste dat bijna. Kijk alleen de documentaire over het verdwijnen van studio Plantage maar. Of bezoek de nieuwe versies van pop-/cultuurpodia als Paard en O13. Ben jij betrokken bij zo’n bedrijf? Zoek dan oudbouw. Zoek dan een pand en omgeving die jouw creativiteit, flexibiliteit en inventiviteit uitdagen. Dat is nódig. Dat is noodzakelijk. Want anders slaat dat allemaal dood, zoals in Den Haag.

Den Haag imiteert, zoals meer grote steden, de ooit als bekrompen beschreven cultuur van geïsoleerde bergdorpen en -steden. Want daar stappen we nogal luchtigjes overheen: maar in dit berglandschap werken mensen. En die mensen zijn bezig als ‘overheid’ de samenleving in goede banen te leiden. Als bergbewoners.

Advertenties

“Wasting precious time…”

Opvallend was hij niet: de meneer in het bankje naast me. Het was meer zo’n treinreiziger die direct aan het middenpad gaat zitten en z’n bagage – in dit geval een kleine rugzak – naast zich zet op de lege plek. Dat geeft ruimte. Voor jezelf.

Niks opvallends, dus. Een net pak, beetje saai blauwig. En een wat morsige bruingroene regenjas, zo’n lange. Dat was misschien wél vreemd: de regenjas was duidelijk slechter onderhouden dan het pak of de man erin. Naast zich, op de rugzak, lag een sportpet, die over het keppeltje op zijn hoofd zou worden gezet als hij uitstapte.

“Wasting precious time… Wasting precious time”

Kijk, als je in een halflege treincoupé halfluid dergelijke zinnen tegen jezelf mompelt, trek je wel aandacht. Op slag was de gewone man een vreemde man. De mevrouw vóór hem draaide zich half om en keek me glimlachend aan. Nooit weg om alvast een bondgenoot te hebben voor het geval dit uit de hand loopt, zal ze hebben gedacht.

Niet dat er iets gebeurde. De man bleef zich maar druk maken over verspilde tijd en stond al ruim een minuut vóór Den Haag Centraal te wachten bij de uitgang. Mét rugzak en met sportpet op zijn hoofd.

Zijn ‘verspilde tijd’gebrabbel zette me wel even aan het denken. Eerst aan de vraag wat hij per sé op tijd moest doen om je er zo over op te winden. Natuurlijk, het kan zijn dat meneer een psychiatrische aandoening heeft. Maar het kan ook zijn dat hij, net als zovelen, gewoon haast had. En het kan een combinatie zijn geweest. Uiteindelijk mogen wij dan wel gehaaste mensen zijn, mompelen in onszelf is toch geen gewoonste zaak van de wereld.

20120731-193413.jpg

Verspilde tijd. Wat valt er eigenlijk aan tijd te verspillen? Eigenlijk heel weinig. Tijd is een gegeven en tikt, ongeacht wat we doen, in een en hetzelfde tempo weg. Tijd vliedt. Mooi zinnetje.

En toch doen veel mensen alsof tijd benút moet worden. De ellende van die zienswijze is dat daardoor de aandacht wordt weggeleid van de essentie: wat dóen we? En dan kan het heel goed mogelijk zijn dat het ‘verkwisten van tijd’ juist productief blijkt te zijn. Gewoon nietsdoen, vervelen, praten: ook in al die gevallen tikt de tijd door en toch zijn ze belangrijk. Want dát zijn de momenten dat we even in een andere modus zijn. Dat zijn de momenten waarná we weer energie hebben om door te gaan, of nieuwe ideeën hebben. Dat is dus geen ‘verspilde tijd’.

Overigens zou je diezelfde kijkwijze ook eens moeten loslaten op teams. Dan zul je zien dat, net als tijd, een team niet een zelfstandige entiteit is, maar uit de chemie tussen de leden ontstaat. Dat is dus een kwestie van de juiste mengverhouding. En weet je wat succesvolle teams karakteriseert? De aanwezigheid van de juiste mix natuurlijk, maar zeker ook van de aanwezigheid van de factor Patroondoorbreking. Succesvolle teams blijken erg goed te zijn in het open staan voor afwijkend denken en niet uitsluitend gericht op productiviteit.

Waaraan doet dat nu denken? Niet alleen in termen van productiviteit denken. Iets met ‘verkwiste tijd’ die toch niet wordt verkwist?!

20120731-193424.jpg