Wees ‘s eerlijk over het negatieve van positief

Dit is het tijdperk van het positieve. Man, man, man, wie ooit ook het hippie-tijdperk meemaakte, kan vergelijken. De karakters zijn anders, heel anders. Waren de hippies intrinsiek optimistisch, de teneur vandaag de dag is haast dwingend, dicterend. De enige houding die wordt gewaardeerd, lijkt de juichend-positieve. Zeker in de wereld van de innovators, trendwatchers, guru’s, experts, en welke titels zij zichzelf maar toedichtten, werd een kritisch tegengeluid – een noodzakelijkheid voor het vinden van de weg naar volwassenheid en versteviging – niet op prijs gesteld. Incrowd-vorming ligt dan voor de hand.

Dat positieve vergiftigt inmiddels heel veel in de samenleving.

Positief is namelijk niet altijd positief, alhoewel het wel zo wordt gepositioneerd (of, als je dit nederlandse woord niet meer kent: geframed). Neem als voorbeeld dat modieuze adagium ‘ga uit van wat iemand wél kan’. Dat gaat er van uit dat de normale situatie er een is waarin je dingen níet kan. Het startpunt, kortom, is negatief. Erger dan de vervloekte vorige decennia die zo negatief worden voorgesteld ooit waren.

We zijn feitelijk van een positief uitgangspunt verschoven naar een negatief. En al die nadruk op positiviteit, positief denken, eigen kracht en passie verdoezelen dat.

Vreemd?

Neem gewoon maar eens de manier waarop toen werd aangekeken tegen metingen. Die richtten zich op het opzoeken van de uitbijters. Je bent te groot, te slim, te dom, te dik, te dun, te onzelfstandig, te oud. Heb je je gerealiseerd dat je die bewering alleen maar kunt doen als je er van uit gaat dat de rest dús normaal is? Dat zoeken naar afwijkingen altijd acceptatie van het gemiddelde, het normale inhoudt?

Het uitgangspunt is dat je voldoet. Testen, metingen en evaluaties zijn bedoeld om de onvolkomenheden, de onvoldoendes te vinden. Neem een gepleisterde muur: je zoekt de putjes en deukjes (en vult die aan). Maar dat heet negatief denken, omdat je (ogenschijnlijk) vooral aandacht geeft aan wat iemand níet kan. In werkelijkheid geef je de hele groep in principe een voldoende.

Een positieve benadering doet het omgekeerde. Het groepsniveau telt niet meer, als referentie voor ‘voldoende’. Door de uitbijters naar boven – je passie, je kwaliteiten – op te zoeken, wordt feitelijk al het andere als ‘minder – als onvoldoende?! – gewogen. Daar is bar weinig positiefs aan. Het individu staat alleen, met zichzelf als referentie, met zichzelf als oorzaak én gevolg.

Heel fijn.

En dat is de Nieuwe Mentaliteit.

Eerlijk gezegd, zou ik er als ik jou was eens hard over nadenken hoe al die nadruk op jouw positieve kwaliteiten uiteindelijk uitpakt. In wiens voordeel. En, inderdaad, dat gaat ook op voor de keukentafelgesprekken over jouw probleemoplossend vermogen. Ook daarin ben jij dan het referentiepunt en niet meer een groepsnorm.

Lekker positief, dit.

Waarom de WMO fout is gericht

Het komt zo vaak voor dat we het soms niet eens meer opmerken, begin ik te denken: de varkenscyclus. Het is een economisch idee, dat producenten in periodes van schaarste aan iets dat iets gaan produceren waarna een periode van overschot ontstaat aan dat iets vanwege overproductie. De ‘fout’ zit ‘m in het verkeerde moment. Als je slim bent, werk je anticyclisch; investeer als de crisis diep is, neem dan ook personeel aan, koop aandelen als ze níet populair zijn en dus goedkoop zijn, begin initiatieven als de behoefte er nog niet is (maar volgens jou wel gaat komen). Je zult er wel lef voor moeten hebben, want je doet precies dat waarvan de goegemeente zal denken – en misschien zelfs tegen je durven zéggen – dat het risicovol is.

Gemeenten zijn sterren in het niet anticyclisch kunnen denken of doen. Die kiezen voor achter de feiten aanlopen en noemen dat veilig en verantwoord handelen. Je hebt er niets aan. Het kalf verdrinkt en de gemeente dempt de put. Daarvoor kun je geen ontzag hebben. Dat maakt geen indruk als leider of als iets met ideeën.

In Leiden maakte ik dat ook mee. Jaren terug schreef ik de gemeente een brief fat het me verstandig leek nu actie te ondernemen met betrekking tot het parkeren in onze wijk. Niet dat er een probleem was. Wat ik zag, was een gestage toename van de parkeerdruk. In de binnenstad rukte het betaald parkeren op, waardoor de gratis-verslaafden naar de periferie werden gedrukt. In de bevolkingsopbouw werden kinderen ouder en stapten van de fiets of scooter over in hun eigen auto. Werkenden vonden het voordeliger een auto van de zaak te hebben, waardoor per gezin plots meer auto’s dan gepland in de straten moesten worden geparkeerd. Je zag het langzaam gebeuren. Maar na meer dan acht máánden antwoordde een ambtenaar dat er niets aan de hand was en dat het beleid als volgt was. Ik vond dat zó dom, dat ik niet heb overwogen te reageren.

Beleid is geen vooruitzien.

Dat is wat ik nu zie. Heel sporadisch ontstaan visiestukken, maar die zijn zó algemeen dat ze nietszeggend zijn. ‘We willen voorspoed en geluk’. Tja, wie niet; en de werkgelegenheid en rijkdom komen dan automatisch gelijk verdeeld terecht?! Beleid is geënt op wat wás. Als in beleid doelen – de toekomst – worden genoemd, doet zich de frappante paradox voor dat de middelen en de weg naar die doelen zijn gefundeerd in het verleden.

Neem de WMO.

We moeten langer zelfstandig blijven, want dat is goedkoper en beter voor ons allemaal (en de portemonnee). Soit. Als je dat wilt: waar begin je dan? Heb jij enig idee?

….

Niets?! De varkenscyclus had je een hint moeten opleveren. De WMO is helemaal verkeerd gericht. Ze richt zich op mensen met problemen. Dan ben je te laat. Dan wordt alles duur en moeilijk. Natuurlijk moeten de zorgvragers worden geholpen. Dat staat als paal boven water. De rolstoelen en trapliften, de huishoudelijke hulpen en de dagvoorziening, het speciaal vervoer en wijkverpleging moeten uiteraard blijven en wellicht zelfs uitbreiden. De mensen die daarom vragen, doen dat niet voor de lol. Zij kregen in het verleden de kans niet zich voor te bereiden op een nieuwe situatie. Dat van ze vragen, is valsspelen door de spelregels tijdens het spel te veranderen.

Maar als je wilt dat we wél zijn voorbereid, dan moet de WMO, dan moet de gemeente, dan moeten de sociaal wijkteams zich heel bewust en gericht gaan richten op laten we zeggen vijftigplussers. Díe mensen zullen moeten worden doordrongen van hun toekomst. Díe mensen kun je heel goed de vraag voorleggen: heeft ú weleens overwogen gelijkvloers te gaan wonen? Investeert ú via vrijwilligerswerk al in uw steunnetwerk? Spaart u voor hulpmiddelen? Kortom, bent u bezig met uw ouder worden?

Als die bewustwording niet wordt geactiveerd of gestimuleerd, dan kun je op een briefje krijgen dat gemeenten met kranen open blijven dweilen. Een varkenscyclus doorbreken, betekent op een ogenschijnlijk onlogische plek – in elk geval vóór het gewenste effectmoment – ingrijpen. Dat moet je dan wel zien, durven en doen. Er is geen gemeente die zover is.