Gewoon

Naast vermoeidheid – ik word een dagje ouder, merk ik aan allerlei dingetjes – is de grootste belemmering om te bloggen eigenlijk mijn eigen persoontje. Ik merk dat ik af en toe toch weer bij vol bewustzijn in de val trap te denken dat bloggen hetzelfde is als het schrijven van een opus magnum of een ander wereldschokkend iets. En dat terwijl ikzelf altijd beweer dat iedere dag wel iets geeft om over te schrijven. dat heb ik verdorie twee jaar dagelijks gedaan. Het kán dus.

Focus. Aandacht. Dat zijn de ingrediënten voor een tevreden leven. Zoveel heb ik wel geleerd na beëindiging van m’n loonvormend leven, ook wel bekend als loonslavenbestaan. En de grap is dat die focus en aandacht helemaal niet overeenkomen met wat velen denken: hard en geconcentreerd werken. Nee, het is geconcentreerd léven, bewust van ‘alles om je heen’. Nu ik weer bezig ben met het starten van een aantal activiteiten merk ik dat je die focus heel makkelijk uit het oog kunt verliezen.

‘s Ochtends moet ik drie medicijnen in nemen, waarvan eentje die uit twee tabletten bestaat (omdat de dubbele dosis die mijn lichaam vraagt, niet bestaat). Hedenochtend (mooi woord) was dat dus ook zo: tabletten, karnemelk en brood. Tot ik me plots realiseerde dat ik van een ánder medicijn twee stuks had gepakt. M’n gedachten waren blijkbaar ergens anders. Op záterdag! Gelukkig waren het geen tabletten uit een doordrukstrip en dus kan er eentje zonder tegenstribbelen terug in z’n potje, maar even was daar de waarschuwing die ik nog zó goed ken uit de tijd dat ik net m’n werk en de weg kwijtraakte. Toen was dit bijna permanent aan de orde.

Alsof er niet iedere dag wel iets valt te beleven, míts je ervoor open staat.

Eigenlijk ben ik nu chagrijnig op mezelf omdat ik het bloggen wat veronachtzaamde. Af en toe een dagje: akkoord. Vakantie: ook begrijpelijk. Maar de afgelopen tien dagen was er iedere dag best wel iets. Goed, het verhuizen van schoonmoederkost energie (put uit). Ze ziet zeerslecht en hoort niets, maar is heel helder van geest en geheugen. En dus gaat verhuizen als volgt: wij zijn haar handen en geven álles aan en zij betast en bevoelt op zoek naar het antwoord op de vraag ‘wat is dit?’. Daarop volgend komt de vraag, tientallen keren op één middag, ‘is dat niet iets voor jou? Of voor ? Neem ik toch maar mee.’ Haar kamer in het verpleeghuis is een derde van haar aanleunwoning en een fractie van jouw woning. Heel veel kán er dus niet eens mee. Opvallend is hoe goed ze weet wat waar zou moeten liggen. Lastig is het als spullen zijn verplaatst, of onvindbaar; dan “zijn ze gestolen”. Coping strategieën zijn niet per sé empatisch. Ze beschermen het individu en dat kan ook door de schuldvraag buiten jezelf te leggen.

Schrijven kost me momenteel ook veel tijd. Dé grote ontdekking is dat ik dat kan. Mwah, niet bijzonder en zeker niet literair, maar heel zeker wel beter dan gemiddeld. Dus word ik geregeld gevraagd te schrijven: voor websites, nieuwsbrieven en nu ook beleidsnota’s. Dat is een bekend probleem dat er mensen genoeg zijn met goede en prachtige ideeën die slecht landen omdat ze krakkemikkig zijn verwoord, waarin subsidiegevers zich vooral laten leiden door taalfouten in plaats van kwaliteit, waarin het lastig blijkt het verhaal op papier te krijgen. Terwijl je er alleen maar een luisterende en vragende tekstschrijver voor nodig hebt. Terugkijkend is dan het tijdrovendst het luisteren en helder krijgen – ik ben dan heel vervelend aan het vragen en dóórvragen. Het schrijven gaat snel. Het is zo waar als het maar waar kan zijn; ondersteuning, ook financieel, en waardering gaat niet naar de beste ideeën, maar naar de ideeën die het makkelijkst aansluiten bij de beleving en het referentiekader van de beoordelaar. Ambtenaren die in hun vrije tijd ambtenaren van goede ideeën voorzien.

Of me daadwerkelijk bemoeien met reïntegratie volgens mijn eigen idee dat je eerst de mens centraal moet stellen voordat je verder kunt. Miljoenen worden er verspild in de werkloosheidsindustrie aan bureaus die zich buigen over CV’s en presentatietechnieken, maar vergeten dat er een mens tegenover hen zit. De afgelopen jaren heb ik geregeld gesproken met mensen op de werkvloer van die industrie en geen enkele van hen had géén voorbehoud bij die bureaus. Sterker, een aantal heeft verhalen verteld van geld rondpompen waarvan je moedeloos wordt. Hoe kun je je druk maken over de opmaak van het CV van iemand die worstelt met de gevolgen van misbruik? Hoe kun je iemand die geen enkele sjoege heeft van wat-i kan dwíngen te gaan werken? Samen met enkele ervaren werkers uit de sector ben ik nu bezig juist díe mensen te ondersteunen. Dat gaat soms keihard – ‘maar je hébt niet en je kan niets laten zíen’ – maar altijd vanuit de positie náást de betrokkene. En het werkt. Langzaam, heel langzaam. Maar het werkt, en beter, want de basis is veel steviger; gewoon door de mens als uitgangspunt te nemen en niet de drang om mensen ‘aan het werk te helpen’. Want juist dát doen ze niet.

Gewone dagen, gewone dingen. Ik moet weer even focussen op bloggen. Er is op de wereld genoeg om over na te denken.

Verdwijnend surrealisme

Ken jij dat ook? Dat je iets ziet wat je als heel normaal beschouwt, maar om een of andere reden sta je er nu bij stil.

Nederland heeft soms magnifieke wolkenluchten. Een groot deel zien we niet eens meer. De grijze mistroostigheid – “Régen!” – kan overheersen en overweldigt dan de grijsschakeringen. Maar de indruk makende momenten zijn er ook. Kilometers hoge onweerswolken, groengrijszwart. Zonnestralen van tussen de wolken door die de wereld reduceren tot een beeld met goddelijke allure. Avondlijke heksenwolken die voor de maan langs trekken. Fast Forward voortjagende wolken. De ondergaande zon die wolkenmassa’s van onderen aanlicht. Vlijmscherp witte wattenplukken tegen een knalblauwe lucht.

Zoiets zag ik dus vorige week. Een uitspansel van schapewolken op een blauwe luchtweide. En daartussen majestueus-autonoom hellend wegdraaiend: een Boeing 747.

Leiden ligt zo dicht bij Schiphol dat vliegtuigen er net zo gewoon zijn als meeuwen. Niks bijzonders, tenzij de dingen extreem laag over de stad scheren en je bij wijze van spreken via het landingsgestel naar binnen kunt kijken. Maar dit was anders. De aanvliegbeweging naar de landingsbaan maakte dat het toestel voor een toeschouwer min of meer stil hing in de lucht, omringd door Magritte-wolken die iets groter waren dan hij. Surrealistisch-mooi.

Zo ervoer ik die paar seconden dat het beeld er zo was: als een surrealistisch schilderij van Magritte of één van diens consorten. Een paar uur later bedacht ik me echter dat dat een vreemde conclusie is. Hoezo ‘surrealistisch’? Dat vliegtuig híng daar in de lucht. Ik zág het voor het echie. Niks surrealistisch. Misschien voor Magritte, maar voor een moderne mens een réalistisch beeld. Sterker, zo gewoon dat we het vaker niet dan wel opmerken.

Dat was een stevige stomp, die gedachte. Want hoe zit het met die door mij bewonderde surrealisten met hun beelden van bijzonder wonderlijke landschappen? Maar vooral, hoe zit het met de werken van iemand als Magritte. Zelfs zijn zwevende stenen zijn realiteit geworden. VWS had ‘m in de hal staan, de zweefsteen. ‘Het is me wat’ van Wim T. Schippers, een gaaf ding. Om “technische redenen” was het werk daar niet te handhaven – welke zouden dat zijn? – en zweeft het nu in Boymans.

eureka schippers lr

Iets wat niet kan, tóch laten zijn. Dat is surrealisme. Zo af en toe bekruipt mij echter de vraag of surrealisme nog veel tijd van leven heeft, nu we steeds meer (denken te) begrijpen en kunnen mimicri’en. Of fantasie. Creativiteit. Dan ben ik op een wrange manier blij ‘al’ 60 te zijn; mochten die – kunnen – uitdoven, dan zal ik het vast niet meer meemaken.