een incompetent gezicht

Jaren geleden vroeg de hoogleraar waarvoor ik toen werkte of ik zou willen promoveren. Dat leek me niks, want je ‘bindt’ jezelf vast aan je promotie-onderwerp. Terwijl er o zo verschrikkelijk veel ander leuks ook nog is en je levenstijd o zo kort. “Maar”, zo zei ik hem toen, “als er iets is dan is het de invloed van schoonheid. Ik ben wel geïntrigeerd door de invloed van uiterlijk op maatschappelijke kansen. Heeft die dame met door rook vergeeld haar evenveel kans als een zilvergrijze?” Ik ben nooit gepromoveerd. De onderzoeksvraag is overigens een paar jaar geleden wel degelijk beantwoord: ja, het maakt verschil.

Uiterlijk is belangrijker dan we toegeven. Mannen kijken uiteraard eerst naar borsten, ogen, benen, billen, haar, neus, het maakt niet uit. Mij is het namelijk nog nooit gelukt eerst de psyche of het Ik van iemand te zien. Wel het uiterlijk. De reden dat ik toen, en nog steeds, die vraag naar dat uiterlijk belangrijk vond, was dat we toen met een onderzoeksgroep onderzoek deden naar langdurige werkloosheid. Ik vroeg me af welke barrières werklozen moesten overwinnen. Eén daarvan, leek mij, kan best wel een uiterlijk zijn wat tegen je werkt.

Het is een moeilijk geval, ons uiterlijk. Een nors uiterlijk – het mijne, vind ik – kan snel worden geïnterpreteerd als chagrijnig, negatief, somber en weet ik wat. Niet dat ik een manisch optimist ben, maar pessimist? Nee, zeker niet. Dat een mooie man of een mooie vrouw het moeilijk kan hebben, geloof ik ook zo. Mooie mensen kúnnen niet slim zijn en slimme mensen niet mooi. Toch? Dat wordt nog eens versterkt doordat de meest mooie mensen modellen zijn en daarvan weten we toch dat die alleen maar móói moeten zijn, een mooi lichaam hebben. Toch?

Allochtone jongeren moeten twee keer zo hard hun best doen om een vergelijkbare maatschappelijke positie te bereiken als autochtone jongeren. Nou, dat geldt ook voor de minder mooie, de gemiddelde medemensen die moeten wedijveren met de ‘mooiste jongens en meisjes uit de klas of op het werk’. En dat zijn er veel, hoor. Geef me de vijf!

Nog steeds ben ik er van overtuigd dat uiterlijk een krachtig selectiemechanisme is. Die overtuiging is eigenlijk alleen maar gegroeid in de loop van de jaren. Niet alleen je fysiek doet ertoe; ook je stem en je geur. Een diepere stem blijkt vertrouwenwekkender dan een hoge, krakende. Eindelijk wordt duidelijk waarom in stripverhalen, films en romans de onbetrouwbare kantoorklerk vaak juist díe stem heeft (en daarmee volop het beeld bevestigt en versterkt). Het verklaart mogelijk ook waarom we de ‘burgemeestersstemmen’, zoals die van ene meneer Opstelten, zo lang voorzien van een ongevraagd toegevoegde betrouwbaarheid.

Maar wat beïnvloedt eigenlijk wat?

Mijn idee is dat het selectieproces zo subtiel is dat sommige uiterlijken op bepaalde niveaus kunnen komen, maar niet verder. Of: dat bepaalde posities uiterlijke kenmerken vereisen. Natuurlijke selectie, dus. Tot op zekere hoogte, want keihard werkt het niet. Daarvoor is de moderne mens te ver verwijderd geraakt van de dieren om dat pronkgedrag stevig in stand te houden.

Predestinatie – het is voorbestemd zo te zijn – geloof ik niet; wél dat je speelruimte beperkt is. Maar wat ik nog steeds het interessants vind, zijn onderzoeken als dit:
IMG_3556

Wat ik zo mis, is de oproep je bewúst te zijn van dit mechanisme. Je schakelt het niet uit. Net als ieder ander vooroordeel is het een flitsend snel mechanisme. Maar je kunt er wel heel bewust van proberen te zijn. Want laten we wél zijn: competentie en deskundigheid die zouden blijken uit de vorm van je gezícht?! Dan móet iemand zestig jaar geleden hebben geweten wat ik in die zestig jaar zou gaan doen.

Leiden, wat dóe je?!

Dit wordt de eerste blogpost, van de bijna duizend unieke, waarvan ik echt hoop dat-i fout is.

Het gaat over Leiden, maar eigenlijk is het niet exclusief Leids. Ik durf te wedden dat je dit ook in jouw gemeente zult tegenkomen. Als je je ogen open houdt.

Leiden heeft singels. Die dingen zijn oorspronkelijk onderdeel geweest van de stadsverdediging. Toen de stad niet meer werd belaagd door vijandige legers of andere vandalen met kwaad in de zin zijn ze echter van karakter verandert. De singels bleken prima te gebruiken als basis voor stadsparken. Zo gedacht, zo gedaan. De Leidse singels ontwikkelden zich meer en meer tot onderdeel van de recreatiesector, die ook in de zeventiende eeuw al bestond, en de (kleinschalige) visserij. De stad groeide ook uit z’n jasje en móest wel uitbreiden, waardoor ook de nutteloos geworden vesting- en bolwerken onder druk kwamen te staan.

Zo komt het dat Leiden een reeks van aaneengesloten singels heeft, waarvan enkele een nadrukkelijk parkkarakter hebben. Zoals dat gaat in de loop van een geschiedenis weerspiegelen de huidige singels die geschiedenis. Naast de parken ligt er ook een gasfabriek aan de singels, uit de tijd dat het water vooral werd gezien als beschikbaar koelmiddel (en ‘s winters dat stuk water zelden tot nooit bevroor tot onvrede van schaatsers). Een meelfabriek domineert een andere hoek: het water was voor hen een transportweg. De gasfabriek gáát weg en de meelfabriek ís weg. Hun skeletten resten als herinneringen aan vergane glorie en een tegelijk verpauperde stad waarin het voor sommigen een hard leven was.

Dat het water van de singels aaneengesloten is, heeft in Leiden ook geleid tot het idee dat er dus ook een aaneengesloten stadspark mogelijk moet zijn. Dat is een historisch misdrijf, omdat vrij willekeurig een periode is gekozen als referentie. Waar een Dickens-liefhebber zou hebben geopteerd voor een terugkeer naar het ongetwijfeld naargeestige Leiden van de eerste industrieën, of een purist wellicht zelfs voor de overbevolkte stad die z’n wallen móest gebruiken voor collectieve weiden en voor begraafplaatsen. Maar beter aansluitend bij de marketinginspanningen van de stad is het beeld van een wandelpark. Dat wordt het dus ook.

IMG_3555

Eerlijk gezegd, was ik dolenthousiast toen ik voor het eerst hoorde van het singelpark. Een park met verschillende thema’s; ik zag het helemaal voor me: vrij lopende varkens in het themadeel De Oudste Stad (en meteen pedagogisch verantwoord), steenhouwers en kleinschalige nijverheid – léven in de brouwerij – in een ander deel, een parkdeel, een vissersdeel, een zwembaddeel, een bedenk-het-maar. Dat enthousiasme is danig bekoeld. Het plan is uiteindelijk geen plan van de stad. Het is een masterplan van een landschapsarchitect. Het is een plan waar inspraak op mogelijk is, maar waar altijd ‘de lijn’ wordt bewaakt. Inmiddels begin ik ook te merken dat ‘de geschiedenis’ wordt gehanteerd als argument om niets nieuws te doen en op andere momenten juist met voeten wordt getreden. Een miljoenenproject dat nu al de kenmerken heeft van een aaneenschakeling van compromissen. Maar wel marketingtechnisch interessant.

Leiden is een D66-stad, die van het redelijk alternatief, van het imago van de weldenkende pragmaticus, van de aandacht voor ontwikkeling van de mens en voor innovatie. Ooit was dat de rol die de dames uit de hogere klasse toebedeeld kregen: verheffen. Daar kwam overigens ook repressie en straf bij te pas. Wie zich niet gedroeg – naar het oordeel van de dames – werd min of meer buitengesloten. Leiden doet dat ook, maar anders. Langzaam splijt de stad in een goed verzorgd, welvarend deel en een veel soberder deel. Zeker de binnenstad krijgt inmiddels wel heel veel toegeschoven.

In die situatie past ordentelijkheid en netheid. Daar past geen losbandigheid noch non-conformisme. Truttigheid ligt op de loer, denk ik dan.

Die bruisende, spannende stad waar Leiden zelf is gaan geloven, bestaat ook uit afwijkend gedrag. Dat was de afgelopen eeuwen zo en zal de komende eeuwen zo (moeten) zijn. Maar wat doet Leiden? In één van de uitverkoren parken van het singelpark-concept stonden twee bankjes aan een doorgaande fietsroute stad in, of stad uit. In lente en zomer een mooi stuk park – en wat mij betreft ook in de herfst – en in de winter lekker doods. Een park, dus. Links en rechts van het fietspad stónden dus twee bankjes. Stonden, want ze zijn plotseling weg. Hoe vreemd. De littekens zijn nog zichtbaar in de grond.

IMG_3554

Er zaten altijd dak- en thuislozen – denk ik dat ze waren; zomer, winter, lente en herfst. Een mens of tien??! Overlast? Vast – er was altijd een oude radio mee en soms was er een woordenwisseling – maar ik maakte het zelden mee (en ik kwam er vaak genoeg langs). Nu zijn de bankjes weg, en zitten ze honderd meter verderop. Búiten de singels in een piepklein parkje, mét kinderklimrek. “Een anti-allergie maatregel”, noemde een van hen het vanmiddag toen ik ze vroeg waar ‘hun bankjes’ waren gebleven.

Ze passen niet in het geplande beeld.
Van een deel van de stad.
Over de stad.