Schools maatwerk?! De school moet vervelend zijn.

Feitelijk ben ik opgeleid in de wetenschap die uitgaat van mensen als sociale wezens. Sociologen zoeken naar patronen in grotere verbanden: op welke punten handelen mensen hetzelfde? En dat halen sociologen dan niet primair uit het individu, maar uit groepen en -interactie. Da’s best lastig, als je dan gaande je studie steeds sterker dat individuele als bepalende factor wilt laten meewegen.

Mensen zijn nu eenmaal sociaal, maar dat ontslaat hen niet van individuele ‘rechten’. We zijn geen overdrachtelijke lemmingen of schapen die elkaar vrolijk volgen, tot in de dood. Groepsdruk, weet je wel, da’s zoiets als de groep die iets van jou wil, maar die je ook kunt weerstaan. Blijven denken en zelf verantwoorden: een groot goed. En dus zijn we niet allemaal hetzelfde, ook niet in gedrag. Met zoiets kun je eindeloos bezig zijn, want we zijn ook nogal dynamisch. Je weet wel: we kunnen voor het een en ook voor het ander, tegengestelde, zijn. We zijn te complex om te laten kwantificeren of goed te laten ‘doormeten’. Zelfs als we ergens op moeten stemmen, blijkt het lastig dat in een ‘exit poll’ juist in kaart te krijgen.

Ik ben dus van de lijn dat mensen wezens zijn in een sociaal krachtenveld, autonoom en afhankelijk.

Als je dit blog volgt, zal het je niet verbazen. Ik geloof niet in generieke maatregelen, althans niet als standaardreflex. Persoonlijk verwacht ik nog steeds het meest van kleinschaligheid en maatwerk. Er is in de jaren tachtig eens een onderzoek gedaan naar de inzet van expertsystemen in de sociale zekerheid. Wat mij betreft interessantste conclusie: de wens om alles zo eerlijk mogelijk te regelen, wordt de regelgeving zeer gedetailleerd en oneerlijk. Groot, gedetailleerd, oneerlijk. Misschien moeten we uitgaan van het bestaan van oneerlijkheid en dáárnaar handelen? Wat jouw buurman krijgt, is niet automatisch iets waarop jij ‘in gelijke omstandigheden’ recht hebt. Er zíjn geen gelijke omstandigheden, wel vérgelijkbare.

Dat brengt me in een probleem. Want ik ben het zeer óneens met onderwijs-op-maat.

Natuurlijk. Er is geen standaardleerling, waarop een standaardaanpak kan worden losgelaten. Maar er is anderzijds wel een soort vraag, een eis aan kennis en vaardigheden benoemd door de maatschappij (het bedrijfsleven). En ja, dat heeft naast kennis en vaardigheden ook een doel in de sfeer van disciplinering: leren luisteren en doen. Dat is alleen iets ouderwets als je niet het hele maatschappelijk complex verandert. Dat gaat niet gebeuren en dus zullen leerlingen wél nieuwe vakken en vaardigheden moeten opdoen, maar ook worden gekneed.

Overigens zijn er meer punten om even bij te staan. Ik zag Paul Rosenmöller – die heeft ook overal verstand van – hartstochtelijk pleiten voor het idee dat leerlingen moeten worden uitgedaagd. Heel mooi, helemaal mee eens. Maar waarom zouden ze dat nu niet doen? Je kunt extra onderwijs volgen. Je kunt VAVO doen. En volgens welke logica gaan leerlingen naar een steviger uitdaging streven? Waarom niet al die vervelende vakken, waarin je vast ook slecht bent, lager inzetten? In mijn geval: dan valt Duits snel af en Scheikunde ook.

De werkgever krijgt het makkelijk. Geen CAO’s – ook die passen niet in het hippe, moderne beeld van de arbeidsmarkt – en nu ook werknemers die geheel individueel geheel onvergelijkbaar zijn. U kiest maar. U doet maar. Het arbeidsproletariaat – echt, ook de hoger opgeleiden – wacht wel.

Maatwerk. Het heeft één groot nadeel: er zit geen uitdaging in, in de vorm van vervelende werkzaamheden. Ook op school.

Ik bang?!

Over een paar dagen word ik zestig. Echt waar, en ook echt waar op de eerste dag van volgende maand. Tot mijn eigen verrassing is dit de eerste keer dat ik heel even iets onbestemds voelde toen ik me die leeftijd voorstelde: 60. Het is een lastig uit te leggen emotie die – echt waar – even door je heen bliksemt: een combinatie van ‘nou en?’ en ‘verdorie, je wordt óud’.

Het zal vast met die leeftijd te maken hebben; dat onbenulligheden kwaaltjes worden en dat die kwaaltjes hinderlijker en hinderlijker worden. De ongetwijfeld bekendste – maar waar we geen woorden aan wijden en die we gelaten accepteren – is ons verminderend gezichtsvermogen. Da’s zo vanzelfsprekend dat de leesbrilletjes tot het standaardassortiment van warenhuizen en drogisterijketens horen. De opticien doet het gehoor en de gehoorapparaten in één moeite door bij. Bij de prijsbrekersupermarkten kun je sinds een paar jaar ook – tijdens actieweken – hulpmiddelen kopen: rollators tot knie- en elleboogbrace‘s. En de specialisten bieden een uitgebreidere keuze.

Je ziet Ouderdom als een schaduw tevoorschijn komen.

Toch blijft het allemaal op afstand. Het is een ánder die ouder wordt, niet jij. Zelfkennis is best lastig. Het kost tijd; tijd om te ervaren wat waar is van wie je denkt te zijn. Een aantal dingen ga je waarschijnlijk zelfs nooit weten. Zo heb ook jij ooit geweten wat jíj in een bepaalde situatie zou doen. Zeker als kind zul je het idee hebben gehad ooit ergens góed in te zijn, de held te zullen zijn.

Het blijkt allemaal anders.

Afgelopen week heb ik een ontstoken slijmbeurs in de knie gehad, als gevolg van jicht dacht de huisarts. Want jichtaanvallen krijg ik steeds meer. Helemaal gratis, voor niets, en ongevraagd. Of de diagnose klopt, weet ik niet. Want de inzet van Colchicine – een van de meer verwoestende medicijnen die ik nam in de afgelopen zestig jaar – deed de aanval in drie dagen verminderen, en Colchicine werkt specifiek tegen jicht. Ergo. In elk geval: iedere kniebeweging leidde tot vlammende pijn en dus tot passiviteit. Klassieke jicht ken ik, maar dit niet. En die ervaring was zéér leerzaam.

Ik zal nooit held worden. Dát weet ik nu zeker. Met enorme hoeveelheden chemische ijspakken tegen de knie om hem af te koelen, kijk je televisie. Mijn aanval deed verdomde pijn, dat zeker. Maar zonder te bewegen was ermee te leven. Op televisie zie je dan oorlogen, neerstortende vliegtuigen en gewelddadige betogingen. Ik moet bekennen dat ik toen dacht: held zijn, is niet weggelegd voor mij. Ik lig hier al te piepen van een pijnlijke knie, terwijl die beelden de beelden zijn van zwaargewonde betogers die overdwars over een bromfiets gelegd, worden afgevoerd. Of de gedacht aan mensen die wellicht zwaargewond in de bergen liggen (nu weten dat dat niet zo was). Mensen die getroffen zijn door oorlogstuig en lichaamsdelen zullen gaan missen. Natuurlijk, (ook) die pijn kwam snel en vooral onverwacht. Maar zou ik dat kunnen weerstaan? Of: zou ik bestand zijn tegen het dreigen met pijn?

Daarover hebben wij, ouderen, talloze gesprekken gevoerd (want uniek is die gedachte niet) met als conclusie dat je dat eigenlijk niet kunt voorspellen. Het gaat om iets met de naam ‘moed’ en dat meten we vooraf niet. Da’s uitermate interessant, en hoopvol, want het komt er op neer dat ik op basis van de ervaringen tot nu verwácht nooit held te kunnen zijn. Maar hóe ik ooit in een situatie waarin een held nodig is, zal reageren, dát weten we niet. Uit WOII kwamen de verhalen van de verzetsstrijders waarvan “we nóóit dachten dat híj dat zou zijn”.

Overigens heeft die gefixeerde knie me nog meer laten ervaren: het werkelijk méémaken hoe het is oud en stram, of gehandicapt, te zijn. Niks simulatie met pakken. Gewoon echt. Schokkend en confronterend. Je komt de wc niet af, of op. Het is zoeken naar vastigheid. Die er niet is. Mocht je ooit een gefixeerde knie op lopen: houd die gedachte van volslagen afhankelijkheid vooral vast. Dát is ouder worden.