Wat Leiden kan leren van een Andalusisch dorp

Puente-Genil. De kans is klein dat je het kent. Een dorp in Andalusië, Spanje. Zo ongeveer het formaat van Voorschoten qua aantal inwoners. Zoek je de toeristische aantrekkelijkheid van Puente-Genil op, dan slaat snel een licht wantrouwen toe. ‘Een kerk’ en ‘een karakteristiek centrum’; da’s echt van die reisgidsenlingo voor ‘niets te doen daar’.

Wij waren er een week en er dus inderdaad niet veel te doen. Het begon al slecht. Onze navigatie blééf ons maar naar een rotonde sturen; onze bestemming volgens haar. Wij zagen echter meer in het gereserveerde hotel als doel, zeker omdat het inmiddels na middernacht was geworden. Bijna geen mens op straat. Gelig natriumlicht uit de straatlantaarns. Maar nog steeds lekker warm.

Het hotel hebben we gevonden. Naast de kerk en het treinstation. Prima. Heel vriendelijk personeel – geen hele zin Engels sprekend – en een adequate kamer. Wel even wennen aan een Spaans ontbijt: geroosterd half pistoletje, olijfolie erop en geraspte tomaat. Gelukkig met handen en voeten duidelijk kunnen maken dat we in de categorie gasten horen voor wie dat wat magertjes is. Geen probleem: roomboter, honing, jam, plakjes kaas, voorverpakte broodjes, yoghurt. Het was er in een oogwenk.

DSC_0393

Zo’n dorp, dus. Echt niet uitzonderlijk.

De meeste tijd hebben we rondrijdend door Andalusië doorgebracht. In die bedwelmende geur van bloeiende sinaasappelbomen. Het is ongelooflijk wat geur voor invloed heeft, op jou, en op je waarneming van de omgeving. Ik ben nog meer dan ooit overtuigd dat ook een stad als Leiden aan de slag moet met vrucht- en fruitbomen, met bruikbaar groen als bramen en bessen.

Maar wat dat Puente-Genil dus ook heeft: een winkelstraat. In Leiden zijn we enorm trots op onze Breestraat – de Bree, op z’n idiootst de PC Hooft imiterend – en de Haarlemmerstraat, de langste winkelstraat van Nederland. Nou, ik zou maar een stuk bescheidener zijn, want Puente-Genil heeft een winkelstraat die net zo lang en eigenlijk langer is. Met op driekwart nog een parkeergarage ook.

Maar veel leuker. Waar Leiden de winkelstraten bijna heeft doodgeknuffeld door (verkeers)leven er weg te bannen, lééft hij in Puente-Genil. Het is grandioos daar mee te maken wat in Leiden wordt verfoeid. Er rijden, stapvoets, rijen auto’s door de straat en niemand lijkt er hinder van te hebben of zich aan te storen. Niet dat het auto-vriendelijk is: eenrichtingsverkeer, een smalle baan met hekjes ernaast, midden op de weg, en allerlei zijstraatjes die nog voorrang hebben óók. En op zaterdagavond? Dan zetten we gewoon die hele weg af.

Ongezond? Vast. Links en rechts van die weg zijn zo’n twintig terrassen te vinden. Volle terrassen, waar mensen met elkaar in gesprek zijn en opvallend weinig oog hebben voor de omgeving/straat. Ik vroeg me af wat we in Nederland op een terras doen, of dat net zo sociaal is als daar.

DSC_0380

Maar goed. De strekking van deze blogpost is eigenlijk dat we in Leiden toch echt eens met open ogen en eerlijk naar onze stad moeten kijken. Trots op een dikke boom op een eeuwenoude begraafplaats? Ik zag er in Sevilla meerdere die veel indrukwekkender zijn, in parken die het Singelpark doen verbleken tot wat het werkelijk is: een verhaal. Leiden maakt het zichzelf zo moeilijk. De lat wordt hoog gelegd, de ambitie enorm gemaakt. Maar veel te weinig wordt de stad en z’n inwoners nog gezien als huis van ons.

Puente-Genil wekte die indruk wél. Waar Leiden zo stug probeert ideaal te worden, leeft dat dorp. Het winkelaanbod is gevarieerd, doorsneden met kerken, ingangen van woningen. Misschien niet ideaal, nee. Maar misschien is dat ook helemaal niet het juiste doel.

Disruptieve jeugd

Voor verandering heb je disruptie nodig. Een heden ten dage ernstig mishandeld woord, aangezien er mensen zijn die menen dat disruptie een doel op zichzelf kan zijn. Ernstige ontregeling, weten we terugkijkend in de tijd, leidt vaak tot aanpassing, tot innovatie; maar niet per sé. Veranderen kan ook worden benaderd als een dynamisch en noodzakelijke proces, en vooral ook als een afdwingbaar proces.

Het afdwingbare aan verandering is het ongelimiteerd denken. Dat kan fantaseren zijn, maar net zo goed de functionele benadering van scenario-denken. Wat in essentie gebeurt, is dat de bestaande conventies en aannames ter discussie worden gesteld; júist de bestaande. Dat levert bijna altijd nieuwe inzichten en perspectieven op. Want waaróm doe je wat je doet?

De beste plek om je eigen omgeving te leren kennen, is door naar een andere te gaan.

Vreemd? Nee, niet als je voorgaande hebt begrepen. Die andere omgeving nodigt je uit te vergelijken met de jou bekende. Goed, enige gevoeligheid ervoor is wel vereist, maar dan kun je je wel de vraag stellen waarom het daar is zoals het is. En dus waarom het hier is zoals het is en niet anders. Dan is er beweging.

In Spanje viel mij iets op wat in elk geval mij aan het denken zette. Aan het denken over verloren zaken en over de waarde daarvan. Als de temperatuur aangenaam z(w)oel is, spelen de kinderen buiten. Dan staan er twee jongetjes op het goal te schieten met een voetbal; en die goal is de grote dubbele toegangsdeur tot de kerk. Als wij tegen een garagedeur aan schopten, was de straat al te klein. Mogelijk dat de koster van de kerk er niet blij mee is, maar in Nederland is het niet eens denkbaar noch mogelijk.

foto

Of het beeld van vriendinnen- en vriendengroepen die rondslenteren; niet met het oormerk rottigheid uit te halen, maar om samen te zijn en sociale banden aan te halen. Dan sta je ineens naar Nederland een jaar of vijftig terug te kijken. Een land waarin ook vijf meisjes van een jaar of elf, twaalf – op rolschaatsen in plaats van de moderne skeelers – voor een etalage stonden te kijken naar schoenen, en die vooral onderling leken te becommentariëren. Of de vriendjesgroepen die als motten rond een vlam in de buurt van de meisjes opvallend onopvallend doen. De jongetjes die met kartonnen kernen van rollen stof een eigen bedenksel van voetbal en hockey spelen.

Het is iets wat moeilijk is te vatten in woorden; alsof het sociale veel sterker aanwezig is op straat. “Dat is het weer”, zul je zeggen. Vast. Dat speelt vast een rol. Maar zeker niet de belangrijkste. Ook als Nederland zucht en puft onder een hittegolf zul je dit gedrag in onze moderne samenleving (haast) niet meer zien. Onder min of meer gelijke condities – Spanje is niet achterlijk en toont in het straatbeeld net zoveel smartphones als hier – is de atmosfeer anders.

Groepen lijken hier eerder te worden ervaren als bedreigend. Alsof de onschuld verloren is gegaan. Jochies die balletje-trap spelen tegen een kerkdeur worden (veel te) snel benoemd als ‘vandaaltjes’. Rondhangen wordt niet (meer) gezien als tijdverdrijf – terwijl daarover een prachtboek bestaat: Rondhangen als tijdverdrijf van Hazekamp –  maar als nutteloosheid. Misschien nog wel sterker: is de publieke (sociale) ruimte nog wel sociaal (en van ons allemaal)?

Kijk, da’s disruptief denken, zullen we maar zeggen. Plaats eens een vraagteken bij het vanzelfsprekende. Het lijkt zo eenvoudig. Maar alleen al het vinden en benoemen van het vanzelfsprekende is voor talloze (beleids)mensen enorm lastig. Het vanzelfsprekende doet zich immers voor als een wetmatigheid of een onwrikbaar verklaard fenomeen (“die Spaanse kinderen zitten gewoon minder achter de computer”). Het gevolg daarvan is dat er slechts zeer zelden buiten kaders wordt gedacht, laat staan gehandeld.