De Leidse keizer zonder kleren

“Als ik nou ‘s gewoon ergens ga staan en dan de omgeving rustig bekijk; wat vind ik er dan van?”

Ongeveer dat was de vraag die ik me stelde in een Leidse popup store. Het begrip is al stevig aan herijking toe, want de verwarring wat je eronder kunt of zou moeten verstaan is best groot. En de meeste hippe termen raken al vrij rap zo erg uitgekauwd en gebruikt dat ze haast uitgekotst worden in hun tegendeel. Innovatief, 2.0, 3.0, authentiek, circulair, versneller, incubator, exponentieel, singulariteit, connected…. ooit betekenden ze iets. Maar nu niet meer. Hol en leeg.

Popup stores bestaan eigenlijk al een hele poos. In eerste instantie is het een term die niet eens zozeer een tijdelijk gebruik van een winkel aanduidt als wel een tijdelijke verkoop (in een vaak wezensvreemde omgeving). Pop up was de massaverkoop van boeken in een sport- of evenementenhal, de ‘liquidatiepartijen’ meubels, keukens en weet ik veel wat nog meer; slechts één, twee of drie dagen en, hop, weg naar een andere stad. Snel (bedoeld als spannend en de koper hebberig makend) opduikend en snel weer weg.

Inmiddels kaapten marketingmensen en makelaars het woord en plakten er een heel andere inhoud aan vast: die van tijdelijk gebruik, tijdelijke verhuur van winkelpanden. Een soort van antikraak voor winkelpanden, alhoewel de popup‘ers daar ongetwijfeld héél anders naar keken. Dóódgegooid werd je met kunstenaars en kunstwerken in etalages. En niet voor één, twee of drie dagen, maar weken en maanden achtereen. Ook ter bestrijding van die naargeestige leegstandsaanblik. Of die ‘oplossingen’ een aangenamer straatbeeld opleverden, valt te betwijfelen. In slechts enkele gevallen gebeurde er in etalages, of met etalages, iets bijzonders en kwam er leven in de brouwerij. Vaker was het een doods ‘nondescript iets’ waarvan de winkelstraat echt niet ging leven.

Zo ook het pand van het fIMG_5143ailliete V&D. Een dodelijk saai pand, ook toen het nog leefde. Niet dat een lelijk pand is – het exterieur heeft zelfs een aantal heel mooie details – maar het is karakterloos. Dat merk je nu pas goed, nu er tijdelijk een serie popup stores in zit. Wie naar binnen loopt, loopt gewoon ‘de oude V&D’ in. Gewoon?! Gewóón? Hoe kan dat? Zijn die ondernemers die er nu zaak voeren niet in staat nieuwe dynamiek, nieuw elan aan te brengen? Dit zouden toch de mensen moeten zijn waar ons centrummanagement (uiteráárd hebben wij dat in Leiden ook) van trompettert dat zij bijzonder zijn.

 

Wat me wellicht nog het meest opviel, is de les die een ‘retaildeskundige’ me ooit vertelde: de ongeïnteresseerdheid van de verkopers. Het was niet druk – als er dertig mensen binnen waren, is het veel – maar in of vooral áchter hun winkelopppervlaktes zaten stilzwijgende mensen, een enkele uitzondering daargelaten (de kunstenaars en de boekwinkel). En het voormalig La Placerestaurant uiteraard. Die deskundige maakte zijn opmerking over de dodelijke desinteresse van personeel van grotere ketens en nu, hier, keek ik rond tussen kleine ondernemers en zag hetzelfde: lusteloosheid.

Het zijn van die koude douches: mooischrijvers en verkoopmensen maken een mooi concept, maar zijn de realiteit toch net te vaak kwijt. En niemand die ze terug fluit. De plaatselijke pers zal himmelhoch Jaugzend meedansen op het economisch belang. En misschien zijn er zelfs mensen die echt geloven in een succes.

Ondertussen zit de keizer zonder kleren.

Angst heerst al lang

Eerlijk gezegd, weet ik het pas sinds kort. Sinds ik, laten we zeggen, de 60 ben gepasseerd: we leven in een angstmaatschappij. Maar wel een heel wat subtielere dan je nu denkt: ‘ja, allicht, met al die terroristen van de afgelopen decennia’. Die angst bedoel ik niet.

We leven in een angstmaatschappij. Hoe dan wel?

Ik moet m’n beeld nog bijslijpen en scherpstellen. Maar de angst is de angst voor de toekomst. Vooral als je ouder wordt, wordt je dat opgedrongen. Maar tot mijn verbazing zijn er sinds enkele decennia ook jónge mensen bang voor hun toekomst.

Niet voor een toekomst met robots die de baas zijn of een toekomst zonder werk. Maar die ondefinieerbare angst om dood te gaan, er niet meer te zijn. En dan? Stomverbaasd kijk ik naar jongere mensen die werkelijk van plan zijn ouder dan 112 te worden, of 135. De verbazing zit ‘m in de rationale die zij er aan hechten. Ze hebben zoveel te doen. Het leven is zo leuk. Doodgaan is zonde. Op de keper beschouwd allemaal griezelig egocentrische argumenten: ‘ik vind het niet nodig dood te gaan’, maar de sóórt heeft behoefte aan verversing en aan doodgaan.

Die angstmaatschappij laat zich steeds duidelijker zien als je ouder wordt. In je jeugd is zowat het ergste wat je kan overkomen de halfjaarlijkse tandartscontrôle. Je staat er niet bij stil, maar het is wel een vorm van de angstmaatschappij: je gebit kan vervallen en dat moet worden voorkomen, voor de toekomst. Wie weet wat je allemaal krijgt als je je gebit niet verzorgt.

Zo rond je vijftigste krijg je te maken met het fenomeen dat herstel van lichamelijke ongemakken meer tijd vergt. Ooit hoorde ik – dacht ik, want ik was toen ‘pas’ dertig – een gezegde dat er op neerkomt dat je ‘alles wat je na de 50ste krijgt, mag houden’.

De hoeveelheid pillen, poeders en zalfjes om de ongewenste toekomst op afstand te houden, begint. Een pilletje om de maag te beschermen. eentje om je cholesterol te regelen, eentje voor de zenuwen, en eentje tegen stramme botten. En met íeder afzonderlijk pilletje word je herinnerd – onbewust – aan die toekomst. Ieder pilletje voedt je angst.

Eten is dan al geen echt plezier meer. Wat mág je eigenlijk nog eten? Onder het mom van ‘gezond en verstandig leven’ wordt meer angst geïnjecteerd. In de winkel sta je helemaal niet meer onbevangen naar eten te zoeken. Ook daar fluistert dat angstwezentje je in.

En je sport toch wel? Dat móet, hoor. Is gezond. Ooit bij stil gestaan welke waanzin in die houding zit? Nog pas twee generaties terug was de bedoeling van sporten die van ontspanning en eventueel van wedstrijd. Maar nooit ofte nimmer had sport de zelfstandige functie van ‘gezondheidsbevordering’. Het spel-element van sporten lijkt te verdwijnen. Als hamsters in een rad, zo sporten we. Omdat het ‘moet’.

De angstmaatschappij voedt zijn eigen kinderen op op die manier. Niet (alleen) met angst voor grote bedreigingen, maar met angst als ondefinieerbaar. Eerlijk gezegd, is het exact dezelfde vage angst die terroristen nastreven.

De subtiliteit verdwijnt vanaf je zestigste. Dan komen we terecht in ‘bevolkingsonderzoeken’. Nu is de waarschuwing heel concreet. Poep inleveren, want je kúnt darmkanker hebben. Je borsten laten pletten, want je kúnt borstkanker hebben. Je bloed laten onderzoeken, want dat verraadt misschien nog onzichtbare kwalen.  Angst voor wat kán gebeuren.

Wat moet dat toch een prachtige tijd zijn geweest; toen we nog heerlijk onwetend door het leven gingen. Toen de angst voor de toekomst nog niet dominant een leven bepaalde. Misschien was de ‘nobele wilde’* nog helemaal niet zo slecht af en wij wél. Maar willen we niet weten dat wij door sloegen.

169129_962_1177498149829-gauguin1892

* De filosoof Rousseau ging ervan uit dat het stadium van de menselijke ontwikkeling, die geassocieerd werd met primitieve stammen, de beste was en het meest optimaal voor de menselijke ontwikkeling, dat wil zeggen tussen het iets minder perfecte van wilde dieren aan de ene en de decadente maatschappij aan de andere kant. Niets is zo goed voor de mens in dit primitieve stadium van ontwikkeling, wanneer hij op gelijke afstand staat tussen de stompzinnigheid van de bruten en de fatale aantrekkingskracht van de ontwikkelde mens.