Een Fonds voor Lokale Media?! Geef de stad z’n stem!!

Eindelijk! Ik kan het zeggen…… Ik ben verkeerd geciteerd!

In Leiden gebeurt iets vreemds. Niet dat het exclusief voor Leiden is. Het gebeurt op meer platsen: de politiek maakt zich zorgen over de verschralende media, die zij zien als waakhond van de democratie. Da’s vreemd, want er zijn redenen te over waarom een vertegenwoordigend orgaan als een gemeenteraad zich níet over die waakhond horen te buigen. Als eerste omdat die waakhond alleen z’n werk kan doen als onafhankelijkheid is gewaarborgd. De inmenging van de slager wiens vlees die gekeurd moet worden, oogt vreemd, een beetje Berlusconi-achtig. Het klinkt zo mooi: waakhond van de democratie. Het betekent wel dat al het niet-openbare openbaar en onderzocht moet worden. Hoe je in dát licht naar zo’n raadsinitiatief moet kijken?! Als ‘ze kunnen ons toch nooit iets maken’? Als ‘misschien kunnen we ze paaien’? Als ‘wie betaalt, bepaalt’? Daarnaast tekent het hoe een raad over verhoudingen denkt. Blijkbaar zijn media een conditio sine qua non, een noodzakelijke voorwaarde voor politiek. Niet het debat in de raadszaal, maar de publiciteit (naar aanleiding daarvan?) speelt een cruciale rol. Een wegvallend podium is dan inderdaad lastig. Ten derde geeft de actie iets weer van het maakbaarheidsdenken in Leiden. In de leerboeken zou je moeten terugvinden dat media die het bedrijfseconomisch niet halen, ook werkelijk moeten kunnen verdwijnen. Markt, aanbod en vraag: dat soort termen. Waar de raad geen initiatief ontplooit om kleine middenstanders – die voor de leefbaarheid in stad en wijk essentieel zijn – financieel te ondersteunen, of de zorgsector áctief ondersteunt, wordt wel een project opgetuigd dat bestaande media nieuwe kansen biedt.

Het zijn bedrijfseconomische overwegingen die meespelen in dit verhaal. Dat compliceert de vergelijking, want de partijen zijn ongelijkwaardig. Waar de traditionele media wérkelijk commercieel zijn – in de zin van of winstgevend móeten zijn of extern gefinancierd worden – zijn de opkomende media dat vaker (nog) niet. Zij bevechten een plek in de arena. Ook in Leiden krijgt het bestaan van de arena, dat gevecht en de posities van eenieder veel te weinig, eigenlijk geen aandacht. Dat de lokale papieren krant moeite heeft tijdrovende, kritische artikelen te produceren is een kéuze, want de journalisten zijn er wel. Die krijgen blijkbaar andere prioriteiten opgelegd. Voor de gesubsidieerde publieke omroep geldt precies hetzelfde: het geld is er, het personeel ook, te weinig aanwezig of kritisch is een keuze. Voor de resterende media geldt dat op een andere manier: zij roeien met de riemen die ze hebben, waarbij zowel financieel als personeel de broekriem zover is aangehaald dat zelfs de eigen minimale eisen vaak krap aan worden gehaald. Méér doen is geen keuze; het is geeneens een optie.

In zo’n situatie overweegt Leiden een mediafonds. Uiteindelijk zal dat in het voordeel van de grotere, commerciële partijen uitpakken. Niet omdat die betere of kritischer producten afleveren (verre van dat, durf ik nog wel te beweren). Maar dat zijn de partijen die noodzakelijkerwijs al de grootste netwerken hebben, de grootste belangen vertegenwoordigen, en de meeste energie kunnen vrijmaken om aanvragen te doen. In de wereld van stimuleringssubsidies is het al jaren een publiek geheim dat die met name interessant zijn voor de grotere spelers, de gevestigde orde. Ook in Leiden worden de blokkades voor vernieuwing al opgeworpen. Geen nieuwe media erbij, samenwerking stmuleren, aanvragen moeten aan ‘kwaliteitscriteria’ voldoen: en u denkt echt dat dat kansen biedt voor jonge honden?

De vraag, het onderzoek en het rapport ademen uit alle poriën behoudzucht, conservatisme uit. De mensen die zijn bevraagd, zijn belanghebbenden in het Leidse. Sterker, er staan namen bij van mensen waarvan ik me in alle gemoede afvraag waarom zij een zegje zouden moeten doen over Leidse media. Communicatie-professionals?! Da’s een heel anders slag mensen met een heel andere insteek. Maar soit.. Behoudzucht kun je ook destilleren uit de opdracht en het resultaat. Daarin staat niet vernieuwing of activering centraal, maar het ondersteunen van projecten (via bestaande media).

Eigenlijk had ik gehoopt dat Leiden een pionierspositie zou verwerven door nu eindelijk ’s echt weer een stem te geven aan z’n inwoners. Maar – en op dat punt ben ik helemaal verkeerd geciteerd – dat was de vraag niet. Stuitend “publieksonderzoek viel uitdrukkelijk buiten de scope” (maar de vrijblijvende beweringen van ‘deskundigen’ over hoger opgeleid publiek dat ‘te weinig diepgravend nieuws’ zou aantreffen, niet). Wéér komen we niet verder dan open deuren als “nieuwe groepen aanboren”, “de burger als uitgangspunt voor een nieuwsproject nemen”. De inwoner van Leiden wordt daar gereduceerd tot een afzetmarkt of tot een subject waar óver of tót wie wordt gesproken.

Maar ik pleitte voor een situatie waarin inwoners zelf aan de slag kunnen met mediaberichten maken. Het ís niet aan de mediaprofessional te bepalen wat ‘kwaliteit’ is. Het is aan de inwoners zélf invulling te geven aan wat de sociale smeerolie in de stad is: dat zijn óók de dagelijkse gesprekken. Een mediafonds hebben we in Leiden helemaal niet nodig. Zet dat geld (verdomme, zeg ik er nu bij) eens in om een platform te bouwen waar iedereen die wíl schrijven, daar de kans voor krijgt en zich verder kan ontwikkelen. Zijn die bestaande partijen echt bezig met de toekomst? Dan zijn ze vast bereid ook energie in zo’n trapveldje te steken (wedden dat ze het niet doen? Want de moverende redenen zijn niet ruimer dan ‘grote pot met geld die we kunnen aanspreken’).

Natuurlijk ga ook ik een aanvraag indienen. Want als ik zou worden betaald voor artikelen(reeksen) (en als 60plusser heb ik nog weinig nodig) zou ik zó meer kunnen doen. En kritisch (want als 60plusser heb ik niets meer te bewijzen noch op het spel te zetten).

Uit het rapport:

5.2.2 Waarom staat het Leidse publiek niet centraler in deze plannen?
Publieksonderzoek viel uitdrukkelijk buiten de scope van de onderzoeksopdracht, omdat media zelf
onderzoek zouden moeten doen naar hun bereik. Dat neemt niet weg dat relevantie voor en im-
pact op Leidse burgers een belangrijk criterium is voor de plannen.
Uit de discussie in de Raad en eerdere interviews met de Leidse mediaprofessionals kwam bij velen
naar voren dat in ieder geval een deel van de hoogopgeleide burgers afgehaakt was van de plaatse-
lijke media, omdat ze die te vluchtig en oppervlakkig en vaak ook te weinig kritisch vonden In de
tafeldiscussies noteerden we ‘Er hoeft niet een groter journalistiek aanbod te komen: in de breedte
is er genoeg’, aldus Sedat Bugdaci (Unity TV). En Mart Keuning (gemeenteraadslid CU): ‘Het Leidse
nieuws is een echoput, als één iemand roept, wordt dit twintig keer herhaald.’ Jan van der Sluis
(correspondent en blogger) vraagt: Hoe betrekken we de gebruiker? Hoe geef je mensen een stem
die we nu niet horen?

Een deel van de projecten zou heel goed juist daarop gericht kunnen zijn: nieuwe groepen aanbo-
ren en hen met relevante informatie bij hun stad betrekken. De benadering van De Correspondent
om vragen van (groepen) burgers als uitgangspunt voor een nieuwsproject te nemen en de waarde
van aanvragen daarmee te motiveren, is een goed uitgangspunt.

En, eerlijk is eerlijk, een deel van mijn pleidooi is elders weer wel te vinden:

5.2.4 Kunnen ook nieuwkomers en ZZP’ers van het fonds profiteren?
Sommige sprekers benadrukken dat vooral de bestaande lokale media van het fonds zouden moe-
ten profiteren. Loman Leefmans (Leidsch Dagblad): ‘De bestaande media hebben er geen financi-
eel voordeel bij als een zzp’er een item maakt en het medium het alleen mag plaatsen.’

Initiatiefnemer Mart Keuning, raadslid ChristenUnie, stelt daar tegenover: ‘Het fonds is een onder-
steuning van een pluriforme journalistiek in Leiden, maar volgens de Raad is het niet bedoeld om
bestaande media overeind te houden.’ Jan van der Sluis ondersteunt dit: ‘Leiden is een stad met
veel hoogopgeleiden. Die weten als burgerjournalisten vaak veel meer dan journalisten. Ook zij
moeten van dit project kunnen profiteren.’

Simons (Leidsch Dagblad) stelde dat jong talent belangrijk is: een ‘no brainer’. Het Leidsch Dagblad
heeft daarom ook altijd stagiairs. De studenten hebben een frisse kijk en ziet dat jonge journalisten
mee kunnen dingen meer als een voorwaarde dan een aanbeveling. Ook Selma van der Meijs vindt
jong talent belangrijk, omdat men dat nodig heeft ‘voor zaken online en voor ideeën voor adver-
tenties. Zo ontstaat vanzelf innovatie.’

De huidige opzet heeft waarschijnlijk al een goed compromis in zich: zowel ervaren journalisten
van de bestaande Leidse media als nieuwkomers en burgerjournalisten zouden aanspraak op het
fonds kunnen maken, op voorwaarde dat ze een Leidse mediapartner hebben gevonden. Het geld
kan geheel voor de aanvrager, maar ook deels voor de mediapartner bestemd zijn. In beide geval-
len profiteert de mediapartner ervan. Een casus die dit onderstreept is de serie onthullende artike-
len over Noordwijk die het Leidsch Dagblad in december 2016 publiceerde, resultaat van maanden-
lang onderzoek door freelance journalist Peter Olsthoorn.

Goed? Of ‘bijzonder’?

Omdraaiing. Vertekening. Fata morgana’s. Waanbeelden (ja, die ook). Illusie. Stuk voor stuk zijn het intrigerende fenomenen die eigenlijk allemaal om één vraag draaien: wat is echt? Wat is de werkelijkheid? Dat die niet bestaat als dé werkelijkheid weten we wel. Jij leest vast iets anders in mijn woorden dan ik precies bedoelde. Je leest wat jij er in kán lezen. De beste definitie die ik ken, en gebruik, is die van de intersubjectieve werkelijkheid (naast jouw eigen versie). Het is een lastige, want we kunnen als mens niet anders waarnemen dan onze individuele waarneming. En er is geen enkele reden aan te nemen dat de een ‘beter’ waarneemt dan de ander, wel anders.

Het is een oud probleem, of eigenlijk een gegeven (en we zullen er nooit een sluitende oplossing voor vinden). In de wetenschap is het begrijpen en verklaren het hoogste goed. In de kunsten de verbeelding en interpretatie, en ook wel vervorming. In het dagelijks leven het overleven; nog steeds, na al die duizenden jaren.

Toch doet zich een beetje een probleem voor. Denk ik. Die relativerende, míjn relativerende houding in elk geval komt voort uit een academische traditie. Da’s niet aanmatigend, maar wel essentieel. Wat wordt gerelativeerd, is de kénnis. Als jij A zegt, dan is het aan mij om dat A aan en van alle kanten te bekloppen en betasten. Da’s dus echt wezenlijk anders dan tegen de A-zegger zeggen dat ‘alles relatief is en dat ‘dus’ zijn stelling niet meer dan een mening is’.

En juist dát is op steeds grotere schaal aan het gebeuren. ‘Mijn optiek is evenveel waar als de jouwe, hooggeleerde’. Da’s zo en het verklaart wat mij betreft ook veel maatschappelijke onvrede als je je realiseert dat in het sociale verkeer al die zelfstandige werkelijkheden niet als gelijk worden gezien. We leven in talloos veel parallelle werelden. Toch is dat geen reden voor cultuurrelativisme die neerkomt op ‘iedereen heeft gelijk’.

Het is wel wat gaande is sinds het internet ontstond. Zijn enorme kracht zit ‘m in het (snel en doelmatig) verbinden van grote groepen mensen. In essentie niets nieuws, met uitzondering van de schaalgrootte en de snelheid. Interessant zijn de verschuivende balansen en beheersingsmechanismen die daarvan een gevolg zijn. De ellende is dat er een indicatie bestaat van wat voorbij is – een indicatie! – maar geen beeld laat staan garantie wat blijvend nieuw zal zijn (vandaar dat ‘indicatie’ want het oude kan heel goed ook uiteindelijk toch het nieuwe zijn, in een andere vorm).

In zo’n situatie buitelen de toonzettenden over elkaar heen. Kijk maar ’s een periode van bijvoorbeeld tien jaar terug en zie ze voorbij komen: de 2.0-aanhangers, de guru’s, de trendwatchers, de innovatoren, de (key note)sprekers, de duiders. De termen en hypes: 2.0 (een sóftwareontwikkelaarsbegrip!), crowd…, burger…., story telling, authentiek, influencer, weak ties, blue ocean. Allemaal stukjes van het verhaal dat geschiedenis van het sociale leven heet; allemaal kortstondig niet eens een halve waarheid verkondigend, vaak shoppend in kennis van een voorbije periode. Extrapolerend, niet – zoals ook een omschrijving van wetenschap en wijsheid luidt – met bestaande kennis níeuwe oplossingen bedenkend.

Dat is in houtskool de context waarin zich nu ‘nieuwe redders’ aandienen: van mensen in dienst van beursgenoteerde mediabedrijven tot creatieven die vooral wonderlijke verpakkingen weten te verkopen. Natuurlijk, het zorgwekkendst is in zo’n geval degene die dat ademloos opzuigt (er van uitgaand dat het beeld klopt). Maar het ís nogal wat in een tijd van ‘gelijkheid’ door klatergoud heen te prikken. Ik weet één ding: als de omschrijving vooral gaat over ‘de context’ of ‘de positie’ van iemand en zijdelings over zijn of haar boodschap ongeacht status, dan gaan de waarschuwingsbellen af. Want dat werkelijkheid meerdimensionaal is, wil niet zeggen dat iedere stem, iedere schreeuwlelijkerd noch iedere ‘opiniemaker’ – een sovjetpropagandaterm – meer dan een eigen gelijkje heeft.