Being First werkt

Een paar jaar geleden ben ik samen met een aantal anderen een samenwerkingsverband begonnen met als doel mensen weer richting in hun leven te geven. Klinkt vaag, ik weet ‘t. Maar Being First, zoals we inmiddels heten, werkt wel. Eigenlijk om slechts één simpele en voor de hand liggende reden: we gelóven in ons idee en in de mensen die we helpen. Dat is wat meer dan het gros van de advies-, consultancy-, management- en reïntegratiebureaus ontbeert: echt geloof in anderen. Voor hen is het werk. En alhoewel dat in die kringen niet bepaald hip is; ze doen het gewoon van 9 tot 5, want dat is werk versus eigen vrijetijd. Onbetaald zouden ze het níet doen.

Being First dus wél. Geen van de partners heeft extra inkomsten nodig en dus kunnen we geheel ‘handenvrij’ werken. vergis je niet: dat is een ongelooflijk relevant verschil met loonwerkenden! Wij kunnen tijd nemen die we nodig denken te hebben. Wij kunnen de tijd nemen om te luisteren, de ander laten praten. Wij kunnen álle oplossingsrichtingen overwegen; óók de minder leuke. Wij kunnen verschillende disciplines inschakelen, afhankelijk van de verhalen. En vooral kunnen wij de cliënt volgen in zíjn wereld zonder hem ‘ons’ systeem in te dwingen. Being First erkent ook de door angst dichtgeknepen keel en blokkade voor oplossingen die paniek oproept.

We hebben nu zo’n zes, zeven mensen bijgestaan. En eigenlijk allemaal succesvol. Niet in de ogen van de beleidsmakers en betweters die alleen wonderen verwachten van ‘uitstroom’ of ‘werk’. Bij mijn laatste werkgever – die ook o zo veel wist van deze problematiek – had dit nooit gewerkt. Daar regeerden de targets en declarabele uren (en men zag daar niet hoe pervers dat systeem is). Being First hééft geen bedrijfsdoelstellingen die ons hinderen in de contacten met cliënten. Alleen op die manier ben je in staat ‘vanuit de klant’ te werken. Waar de een úren eist, de ander je de oren van je kop lult voordat je tot hem of haar kunt doordringen, kan een derde al vrij rap op een mogelijk ander spoor worden gewezen.

We hebben dat gedaan. Mijn grootste bevrediging komt uit wat die mensen ons terug gaven. Stuk voor stuk hebben we mensen de ogen kunnen openen; gewoon door te luisteren, door te reflecteren, door te spiegelen, maar vooral door eerlijk en oprecht te zijn. Dat kan best hard aankomen, weet ik nu. Huilen op het moment dat je je na een aantal gesprekken realiseert waaraan het mogelijk schort. Dat het niet lukt anderen de schuld te geven. En dan tóch die waardering “omdat jullie, anders dan die anderen, me serieus namen en echt probeerden te helpen”.

Being First heeft mensen met andere culturele achtergronden geholpen. We hebben mensen uit vaste patronen gewrikt en gewezen op andere mogelijkheden (die ook een half jaar later is verzilverd). We hebben mensen laten testen en ze daarna uitgelegd wat zo’n test in sociaal opzicht betekent. We hebben mensen geadviseerd om eerst psychische hulp te zoeken en reïntegratietrajecten op een laag pitje te zetten. We hebben mensen leren omgaan met (valse) zelfbeelden versus realiteit – overigens redelijk vaak opgeroepen door reïntegratiebureaus die iemand ‘in zijn kracht’ zetten.

Being First is een luxe voorziening: jaren ervaring en dan ook nog ’s spotgoedkoop. Dat we de rol van paniek centraal stellen, maakt ook veel uit. Daar begint de erkenning van de ander. Het is zo vanzelfsprekend en zó moeilijk te doen.

Ik moest eraan denken toen het Journaal vandaag meldde dat een hogeschool een gat in de markt had ontdekt: werkgeluk. Kijk, dan snap je er geen bal van. Dan ga je inderdaad “werken volgens methodes”. Waarom denk je dat de mensen van Being First, die stuk voor stuk hun sporen verdienden in het bijstaan van mensen, juist díe weg van formats en methodes níet voorop zetten? Waarom denk je dat het ons wel lukte mensen te helpen waar ‘jobcoaches‘ uit de sociale werkvoorziening faalden? Juist. Omdat het hun wérk was. Dat moet ’s indalen: dat die mensen dat ‘alleen maar’ doen omdat het (hun) werk is. Onbetaald? Dan gaan ze iets héél anders doen.

Advertenties

Tijdtekort

Als je, laten we zeggen, jonger dan zestig jaar bent, wordt dit een vreemde in de zin van moeilijk voorstelbare blogpost. Ik kan alleen mezelf als referentie nemen, en ik weet dat ik er tot voor kort niet bij stilstond.

Tijd is een maf begrip. Het is zowel oneindig als eindig. Er is (nog!) geen reden aan te nemen dat tijd opraakt, zoals fossiele brandstoffen opraken. Zelfs als het ons lukt de aarde voor mensen onbewoonbaar te maken, loopt de tijd door. Denken we. En zonder ons. Dus empirici krijgen een probleem. Maar goed: of de klok nu wel of niet doortikt, de tijd loopt. Wij denken altijd dat dat vooruitgang is. Want zó hebben we het gedefinieerd (en het zou werkelijk een enorme bak zijn, als tijd, in onze definitie, terugtelt naar nul).

Tijd is eenmalig. Wat is, was en wordt nooit meer. Tijd is onbeheersbaar in de zin dat er geen versneld vooruit of achteruit spoelen van bestaat. Er is ook geen pauzeknop; invriezen en tijdreizen zijn allemaal concepten die in essentie níets aan de tijd veranderen, maar aan dat-/degene die de tijd ervaart. Is echt nét anders. Onverstoorbaar schrijdt de tijd op aarde voort (in zwarte gaten lijkt het anders te worden, ware het niet dat ook daar stilstand van de (voortgaande) beweging zou moeten resulteren in een absolute stilstand, een absoluut einde).

Tijd die je is gegund, is echter wél eindig. Of, nauwkeuriger: jij bent eindig. En dát dringt pas op latere leeftijd tot je door (ouderdom brengt écht nieuwe inzichten mee, zoals dit blog waarschijnlijk en hopelijk zal aangeven).

De afgelopen maanden heb ik weer titels verzameld van boeken die ik nog wil lezen. Geen idee hoe jullie dat doen, maar omdat ik vaak titels vergat, ben ik jaren terug eerst fysieke boeken maar meteen gaan kopen en later e-books gaan verzamelen. Zo bouw je een soort stuwmeer aan boeken op. Niks bijzonders, want dat doe ik sinds m’n twintigste, dertigste en ik vermoed dat heel veel mensen dat doen.

Wat nieuw is, is de schok als je je voor de eerste keer realiseert dat je al die boeken 100% zeker nooit allemaal meer zult lezen. Voor de meeste jonge(re) mensen is dat een onbekende ervaring: tijd is er in overvloed en ieder boek op de moet-nog-lezenstapel maakt een reële kans te worden gelezen. Maar op een gegeven moment lukt dat niet meer. Of je nu tien, twintig, dertig of honderd nog-te-lezenboeken hebt, maakt niet uit. Of je veel of weinig leest, maakt ook niet uit. Op een bepaald moment heb je minder tijd beschikbaar dan je nodig zult hebben om ze te lezen.

Dat is een bizar gevoel. Je wordt met je neus op de feiten gedrukt. Dat je leven eindig is. ‘Nog zoveel te doen’?? Nou, nee, de valbijl van de tijd bepaalt dat.