Spijkers op laag water

Dat je, wachtend in een warm lentezonnetje, wat met je slimme telefoon speelt. Wat mail ophaalt. Wat twittert. Wat nieuws leest. En dan op een berichtje stuit als dit, in de De Telegraaf:

Werkloos door dom social media gebruik

LONDEN – Een op de tien jongeren grijpt naast een baan door onverstandige updates op sites als Facebook en Twitter. Steeds meer werknemers worden geselecteerd op basis van online profielen.

Dat blijkt uit een onderzoek van het Britse On Device Research. Gênante foto’s, ongepaste statusupdates of scherpe commentaren op sociaalnetwerksites worden door toekomstige werkgevers hard afgestraft. Vaak krijgt men na zo’n media-inspectie niet eens meer een uitnodiging voor een sollicitatiegesprek.
Tweederde van de ondervraagden maakt zich geen zorgen om hun profielaccounts en gebruiken social media dan ook niet terughoudend. Ze geven meer om wat vrienden van ze denken dan potentiële werkgevers.
18.000 jongvolwassenen tussen de 16 en 34 jaar deden mee aan het onderzoek. Deelnemers kwamen uit zes verschillende landen: China, India, Nigeria, Brazilië, Engeland en de VS.
Eerder deze week waarschuwde Google-topman Eric Schmidt tieners voor “onverstandig gedrag dat je levenslang achterna kan zitten”.

Het onderzoek waarnaar de krant verwijst, is dit:

Zoals het de De Telegraaf betaamt, dekt de kop de lading niet helemaal. Uit de kop trek je de conclusie dat jongeren hun baan kwíjtraken door social media. Uit het artikel en het onderzoek maak je op dat het gaat om het niet kríjgen van banen: in China, India, Nigeria, Brazilië, Engeland en de VS.

Wat moet je er dus mee? Niets?!

Da’s maar de vraag. Natuurlijk kun je – terecht – aanvoeren dat dit nu niet bepaald een representatief onderzoek is voor álle jeugd in álle landen. Eerder zijn het repressieve of conservatieve landen waar ofwel de staat ofwel mores (nog) bijzonder belangrijk worden gemaakt. China scoort hoog. India scoort vrij hoog. Brazilië daarentegen scoort laag.

Het is een ‘lastig’ onderzoek; de aantallen respondenten wijzigen nogal waardoor je iedere keer goed moet kijken wie nu eigenlijk welke antwoorden gaf. Maar ik neem aan dat de conclusie dat werkgevers zich tijdens de selectieprocedure ook baseren op andere bronnen dan je brief en cv, klopt.

Dat is precies waar het wringt.

De belangrijkste vraag die gesteld moet worden, is of werkgevers dat recht hébben: om hun keuze te baseren op duidelijk privé informatie. Mag, in de oude wereld, een werkgever zich baseren op dorpsroddel en stedelijke achterklap? Als je realistisch bent, dan stel je vast dat dat weinig elegant is, maar dat het wél gebeurt. Als de werkgever die informatie tenminste krijgt. Dat is wel een verschil: de informatie is makkelijk(er) beschikbaar. Daar gaat het dus principieel mis, want dat betekent dat de werkgever áctie onderneemt om die infromatie zélf te vergaren. Ze wordt hem niet aangereikt: hij doet ‘antecendentenonderzoek’. Laat dat nu net iets zijn wat in de oude wereld niet zomaar gedaan wordt door jan en alleman. De nieuwe situatie maakt het allemaal een stuk ónduidelijker, mínder transparant. Homosexualiteit is bijvoorbeeld géén onderwerp voor antecedentenonderzoek. Wie zegt dat de social media antecedentenonderzoeker dat niet tóch meewoog?

In antecedentenonderzoek wordt gekeken naar de formele werkelijkheid: veroordelingen, schulden, kwetsbaarheden. In social media lijkt het vaak ook (vooral?) te gaan om de informele werkelijkheid: die tussen vrienden en familie. Het lijkt ook allemaal zo logisch en voorstelbaar. Een drugshulpverlener die op feesten joints rokend op z’n Facebookpagina staat. Niet handig, want z’n cliënten zien dat waarschijnlijk ook. Zoals ook ‘stille alcoholisten’ op het werk zijn te vinden, is de vraag – net als bij hen – vooral: wat is het effect op collega’s en werk?

Dat is precies wat míj zorgen baart. De grenzen lijken te schuiven. Ik schreef het al eerder. De grens tussen werk en privé vervaagt wat. Het is echter zeer de vraag in wiens voordeel. Het gaat té ver, veel te ver, als werkgevers zich baseren op privé informatie, óók(!!) als die openbaar beschikbaar is. Een werkgever dient zich zo professioneel op te (kunnen) stellen dat die informatie geen rol speelt. Die eis mág worden gesteld, omdat ze ook aan de werknemer wordt gesteld als het gaat om het openbaren van ‘bedrijfsgeheimen’. Dat wat je in het kader van het werk ter ore komt, wordt je geacht níet naar buiten te brengen. Van tweeën een.

Dat de verhoudingen schuiven werd vanochtend overigens ook op een andere manier geïllustreerd. In de De Volkskrant staat dit over Zweden:

Photo 31-05-13 17 27 39

Het is overduidelijk nog volop zoeken naar hoe ons te gedragen en beschermen in die nieuwe omgeving.

Advertenties

Gokken zonder verlies?!

Deels zal het ook verklaarbaar zijn uit het ‘stijgen mijner jaren’; ik word ouder en heb nu al de 58 gehaald. Dat zijn 58 jaren waarin je dingen ziet en ervaart en al die ervaringen gebruikt als referentie. Het moeilijkst daarbij is wellicht een duo. Je gebruikt het vaak onbewust. Dat moet je je wel realiseren als je oordeelt: op basis waarvan doe ik dat? En, als dat uit het verleden komt, wat was tóen de context? Stomweg “omdat het vroeger beter was” of “óók zo ging”, volstaat niet.

Even. Wel goed lezen, hè. Hier staat dus níet dat alles het verleden waardeloos is of alles uit het verleden beter is. Hier staat dat alles een context heeft en dat die moet worden meegewogen. Ik ben niet zo van het vernieuwen om het vernieuwen. Omdat het kán. Belangrijk, voordat je vervangt, is te weten wat indertijd werd opgelost en waarom. Zeker in het onderwijs kun je je dan afvragen wat in de tweede helft van de vorige eeuw allemaal aan ‘experimenten’ is uitgevoerd. Niet iedere innovatie is een verbetering.

Het vervelende is dat veel van die veranderingsprocessen geleidelijk gaan. We zetten een eerste onschuldig stapje en blijken na verloop van tijd in een glijvlucht te zijn beland die geen echt sturen meer mogelijk maakt. Bijsturen, damage control: da’s het eerder. Net als de tovenaarsleerling die de controle kwijtraakt over de effecten van z’n formules.

We kennen eigenlijk niet goed de weg terug.

Grote projecten, waarvan duidelijk(er) wordt dat het mis gaat? We stoppen ze zelden tot nooit. Keiharde garanties dat iets alleen voor een specifiek doel wordt gebruikt? Bestaan, totdat die garanties een belemmering worden. Het beeld van Rupsje Nooitgenoeg is adequaat: wij mensen blijven knutselen en knoeien om ons leven te verbeteren. Dat dat niet voor iedereen positief uitpakt, dat we enorme risico’s nemen; ach, allemaal collateral damage, bijkomende schade.

Risico nemen, doen we allemaal wel (eens). De een meer dan de ander. De een wat compulsiever, verslaafd, verslaafd dan de ander. Maar wat we in de loop der jaren wel lijken te zijn kwijtgeraakt, is het idee dat risico naast winst óók verlies kan betekenen. En dát is dus zo’n sluipend proces waarvan je je in alle gemoede kunt afvragen of dat wel zo positief is.

Aandelen? Da’s gewoon gokken op koersstijging. Dan hoor je ook niemand. Maar als we en masse op die manier aan de gang gaan én het gaat eens goed mis; dan zijn de rapen gaar en roept eenieder dat ‘de overheid moet ingrijpen, dit had moeten voorkomen, de gedupeerden moet compenseren’. Waarvoor? Voor verkeerd uitgepakte hebzucht? In geval van oplichting of misleiding is het net anders. Maar ook dán is het de vraag wie het voortouw moet nemen.

Dat verlies nemen erg moeilijk is, bewijzen ook televisiebeelden van verkeersovertreders. Niet dat je die per sé nodig hebt; op straat zie je het ook. Een verkeersovertreding begaan, betekent een boete. Anders geformuleerd: een verkeerd uitgepakte gok dat je niet gesnapt zou worden. Moet je niet lullig over doen. Némen dat verlies…. al is het tandenknarsend.

Waar ik mee worstel, is met agressie. Eerlijk gezegd, zou ik dat ook erg graag op diezelfde manier behandeld zien. Als je iemand bedreigt met een wapen, neem je op dát moment het risico dat iemand anders – een politieagent – jou neerschiet. Als je iemand in elkaar schopt en trapt; je neemt het risico te worden veroordeeld voor poging tot doodslag (moord).

Het gaat me vooral om de uitzonderlijke gevallen. De minderjarigen die misdaden begaan die ik bij volwassenen categoriseer onder ‘walgelijk’. Ik ben voorstander van straffen in de hoop op rehabilitatie. Sommige daden duiden echter op geen kans op herstel. Kleine kinderen die dieren opzettelijk mishandelen; daar zit een steek los. Minderjarigen die gewapende overvallen plegen: die worden gaandeweg vooral ‘beter’ in hun ‘vak’. Tweede kansen zijn prima; voor diegenen die een keer de bocht uit vlogen. Sommige daden zijn echter al direct de eerste keer geen ‘uit de bocht vliegen’.

Daar zit ik dus mee. De taal van de straat wordt steeds sterker. Het recht van de sterkste: dat soort van zinnen hoort daar bij. Dan moet de reactie ook in die taal worden uitgesproken. Denk ik.