Opleiden voor de toekomst is onzin

Persoonlijk word ik er soms moedeloos van (wat een mooie onzin: persoonlijk en ik in één zin); van mensen die zich helemaal richten op ‘de toekomst’. Nu is ‘de toekomst’ wel heel verleidelijk, want ze is nog niet gepasseerd en (lijkt) dus kneedbaar. Alsof je met Oud & Nieuw welgemeend jezelf verplicht af te gaan vallen. Een mooi voornemen. En alles ligt open.

Maar de toekomst wordt bepaald door het verleden. De toekomstkijkers tóen zetten stappen die ons werkmateriaal bepaalden. Ze besloten en ontnamen ons mogelijkheden. Ze besloten en zetten ons in een ontwikkelingsrichting. In het verleden is de toekomst gemaakt. Wij bepalen op de schouders van ons verleden, in het heden, het speelveld van de toekomst.

Vaag? Eigenlijk niet. Het is exact hetzelfde als delegeren: je moet maar hopen dat je opvolger, je werknemers, je kompanen hetzelfde doel voor ogen hebben als jij. Zo niet, dan zal delegeren leiden tot andere uitkomsten dan je voorzag. Daarom is delegeren zo lastig. Het wordt snel een resultaat van groepsdynamica. Da’s wezenlijk anders dan een continue proces van doelrealisatie.

Onderwijs is een goed voorbeeld. Neem even een paar seconden om stil te staan bij de vraag wat onderwijs ís. De kans is groot dat je iets bedenkt in de zin van ‘leerlingen voorbereiden op de toekomst’. Toch? Dat klopt ook.

In mijn optiek is onderwijs niets anders dan dat een generatie aan de volgende haar kennis overdraagt, opdat die volgende generatie ermee verder kan, aan de slag kan.

Voor mij betekent dat dat onderwijs helemaal niet toekomstgericht ís, kán zijn en eigenlijk niet eens mág zijn.

naamloos

Onderwijs draagt onze verzamelde kennis over, opdat niet iedere keer weer opnieuw wielen hoeven te worden uitgevonden. Dat proces verklaart ook waarom moderne leerlingen zoveel meer (moeten) weten dan jonge mensen vlak voor de Industriële Revolutie, laat staan de jonge geestelijken in de Middeleeuwen. Interessante vraag is wel waar dan het moment ligt dat jonge mensen meer moeten leren dan ze – hun hersens – aankunnen en welke coping strategy we daaarvoor ontwikkelen. Externaliseren van kennis lijkt dan logisch: leren vínden de aanpak.

Dat lijkt een toekomstgerichte verandering van onderwijs. Maar het is het absoluut niet. Eerder kijken we naar een nieuwe methode. Daar waar de orale, de mondelinge overdracht ooit volstond tot ze werd opgevolgd door de veel stabielere, deelbare en consistentere schriftelijke, zo zal die op zijn beurt worden opgevolgd door een methode om in nog grotere kennisbronnen te kunnen werken. Maar de kennis verandert niet! De formules blijven. De literatuur blijft. De theorieën blijven. En blijven ontwikkelen.

Opleiden voor de toekomst. Zolang het beperkt blijft tot het aanleren van handige methodieken náást het opdoen van kennis, het snáppen, is er niet veel aan de hand. Snappen en begrijpen vereisen echter wel degelijk basiskennis. Degenen die menen dat alles opzoekbaar maken voldoende is, goochelen. Vooral goochelen ze met wat kennis feitelijk is. Als we kunnen gaan opzoeken zonder te begrijpen, zonder te snappen, loert het gevaar van ‘zo is het nu eenmaal’. Dan ben je voor-wetenschappelijk bezig, waarin ‘de appel gewoon valt’ en je niet snapt waarom. Dan sta je helemaal níet meer op de schouders van ons verleden.

Opleiden voor de toekomst heeft ook enorm veel met angst te maken. Alsof wij onze toekomst kennen en onze volgende generatie eigen inzichten kunnen ontzeggen. Die trechter zijn we wellicht al ingegaan, want echt grote geesten kennen we niet meer. De wereldbeeldschokkende ideeën van Archimedes, van Galileï of van Copernicus zijn vervangen door indrukwekkende verfijningen van bestaande theorie. Da’s mooi, maar voor de verdere ontwikkeling van ons begrip is juist een vermindering van kaders nodig.

Nee, toekomstgericht onderwijs is een illusie, want de toekomst is niet aan ons; noch om te bepalen, noch om actief aan deel te nemen.

Advertenties

Schrikken van een nabije dood

Onze moeder is verleden week woensdag overleden. Vandaag hebben we haar begraven. In de tussenliggende dagen spookte er iets door m’n hoofd.

Mijn vader is veertien jaar geleden overleden. Dat ging heel anders dan met m’n moeder. Goed, ze waren beide op ‘gezegende’ leeftijd, respectievelijk 83 en 95. Da’s mooi. Maar waar de één rustig insliep na beroerte nummer zoveel – m’n moeder – vertrok m’n vader eigenlijk toch plotseling nadat de diagnose kanker was gesteld. In twee, drie weken was het gedaan.

Nu zal het uitmaken of het de eerste of de tweede van je ouders is die sterft. En ook zal je eigen karakter, opstelling en (levens)ervaring een rol spelen. Ik kan me herinneren dat ik, tot mijn eigen verbazing, niet veel expliciet verdriet had; bij allebei niet. Dat wordt dus nog wat, want dan moet je haast wel een binnenvetter zijn met verhoogde kans op stress-gerelateerde aandoeningen, zou je denken. Ik mag verraden dat dat niet zo is. Ik ben ‘gezegend’ met de capaciteit me neer te leggen bij het onvermijdelijke.

Maar in de nabijheid van de dood gebeuren er bijzondere dingen met je.

IMG_3074

Niet de ‘discussies’ met je broers en/of zussen over wie wie nu het best kende, het meest deed, het beste kind was, het meeste recht heeft op, of welke herinnering (meer) waar is (dan een andere). Da’s standaard, lijkt me. En, eerlijk gezegd, twijfel ik geen microseconde aan mijn eigen waarheid. Het is immers de míjne. Wel bevestigt de dood hoe slecht je mensen kúnt kennen: alle waarheden zijn waar en samen vormen ze een deel van een persoon. Maar wat die zélf dacht te zijn, zullen we nooit weten. Het gedoe, de gesprekken, maakt wel dat je het gevoel hebt dat je ouders van je worden gestolen.

Nee, écht bijzonder is wat gebeurt als je laatste ouder overlijdt. Verleden week woensdag bij ons. Ineens, heel kort, is daar dan het besef dat jij – ik ben de oudste zoon – nu vooraan in de rij staat. De volgende ben ik. En, ja, er kan altijd iets die volgorde verstoren. Maar toch… even was-i er.

Mijn verdriet bij het overlijden van mijn vader was groter dan toen m’n moeder overleed. Maar dat was verdriet om het verdriet van m’n moeder die haar maatje kwijtraakte en alleen achterbleef. Nu zij overleed liet zij geen maatjes achter. Zij was de laatste van de twee. Maar ik zag míjn maatje en kinderen. Het komt naderbij.

Voor iemand die gelooft dat we er gewoon zíjn, zonder doel, zonder afkomst en zonder toekomst, zoals bladeren aangroeien en afvallen, jaar in, jaar uit, is dat een vreemde ervaring. Heel even ben je bang dood te gaan. Of nee, je bent bang anderen verdriet te gaan doen, te móeten gaan doen.