Kippigheid rulez!

Heb je het gelezen in de krant? Het bericht dat kinderen die veel buiten spelen minder kans maken op bijziendheid. Mooi verhaal, mooi pleidooi, ook omdat ik bij de groep mensen hoort die vindt dat kinderen móeten buiten spelen. Helemaal niet om anti-vooruitgangsredenen, maar eigenlijk vooral omdat ik ook tegen het houden van dieren in te kleine dierentuinkooien ben. Buiten spelen is niet een zuivere tijdsbesteding, maar ook een belangrijk leerproces. Denk ik. Kinderen hóren zo te spelen. Het organisme mens heeft die fase altijd nodig gehad, dus waarom nu plots niet meer?

Maar eigenlijk was mijn eerste reactie toen ik het las, een iets andere. Vanaf mijn achtste, zo ongeveer, heb ik een bril. “Een bril, dat ben ik”, zoiets. Uit de periode dat ik ‘aan de bril moest’, kan ik me nog goed herinneren dat ik de raad kreeg ‘niet in bed, met een lampje, onder de dekens te blijven doorlezen’. Ik vermoed dat dit een raad van m’n moeder is geweest, want in diezelfde serie zit ook iets met ‘van in bed lezen, op je zij liggend, krijg je scheve ogen (qua scherpzien)’. Het zijn dan de jaren zestig.

Dat lezen kwam vast omdat ik een ziekelijk kind was. Althans, dat dacht de huisarts. Pas toen ik op m’n tiende in vliegende vaart naar het Juliana Kinderziekenhuis verdween om een levensreddende operatie te ondergaan, bleek dat ‘het zenuwelijertje, waardoor hij van nervositeit niet eet en alles uitkotst’ plat gezegd een alles afsluitende knoop in z’n darmen had. Een invaginatie. Enfin, wat dan ontstaat is een jongetje dat veel leest. Wat moet je anders? Wat mij betreft, klopt het onderzoek; alhoewel ik eerder iets zou beweren als ‘binnen zitten en lezen leiden eerder tot bijziendheid’. Maar de onderzoeksopzet staat díe conclusie vast niet toe.

featshowimg_jdy17_1600_1600-700x455

Toch denk ik dat er een kern van waarheid in zit. Het is ook iets wat me intrigeert: hoe momenteel de mens ook fysiek verandert. Kinderen die weinig buiten spelen. Dat verwijt ken ik ergens van. In elk geval al uit de tijd dat het kinderspeeldomein werd verpest en opgeëist door en voor auto’s. Op straat spelen is nu nog mogelijk op een fractie van de plekken waar wij vijftig geleden nog konden spelen. Maar ook de binnenshuis aanwezige verleidingen: de tv, en vooral de digitalisering. Kinderen, zo beweert men dan, zitten ‘teveel achter de computer’.

Of dat nu wel of niet zo is, is eigenlijk al een achterhoedegevecht. We zítten midden in een situatie waarin de computer en het gedigitaliseerde, onomkeerbaar, bepalend zijn. Met welk gevolg?

De eerste gedachte van veel mensen is dat die gevolgen voornamelijk sociaal en verstandelijk zullen zijn. Daar twijfel ik aan. Natuurlijk zie je nu verschrikkelijk veel beweging, maar of de mens in essentie aan het veranderen is? Nog steeds is de belangrijkste communicatievorm het gesproken woord en niet één van de social media. Die voegen toe, verrijken. Nog steeds is er een onder- en een bovenlaag, zijn er misbruikers, zijn er platte winstzoekers, nog steeds zijn we niet echt anders geworden. Wel is de snelheid van alles toegenomen en het feit dat we dat als probleem zien, betekent dat we als organisme, als mens ons (nog?) niet hebben aangepast. The survival of the fittest, weet je nog?

Fysiek lijkt er echter wel iets te kunnen gebeuren. Da’s de ellende van ons lichaam: dat kunnen we als individu uitwonen of verpesten, of tot tempel verheffen en onderhouden. Het zal me dan ook niet verbazen als de eerste aanpassingen aan die nieuwe wereld fysieke zijn. Het is al duidelijk dat computerwerk fysieke gevolgen heeft: obesitas, maar ook gewrichtsaandoeningen door het vele zitten. In dat patroon past die bijziendheid ook.

Nog een generatie of wat en mensen zijn klompen vlees die, vanachter jampot-dikke brilleglazen, computers hanteren. Klompen vlees die, omdat ze niet (veel) meer bewegen eigenlijk in een virtuele wereld zijn gaan acteren. Stomweg omdat mensen elkaar niet veel meer ontmoeten. Té dystopisch, maar het nadenken waard.

Want tot waar laten we het gaan? Als kinderen nu al niet eens meer fatsoenlijk op straat kunnen buiten spelen. Dat zullen we vijftig jaar geleden vast óók een belachelijk idee hebben gevonden.

 

Advertenties

Probleem onzichtbaar, probleem opgelost

Ureum en chloor geven ondermeer een (giftig!) gas. Da’s een onaangenaam spulletje. Adembenemend. Als kind uit de jaren vijftig kan ik het weten, want in die tijd werd er kwistig rondgesproeid met chloor in de wc. Blijkbaar associëren we schoon met frisse stank, of andersom. In elk geval: als je onoplettend begon te plassen, kreeg je het spaans benauwd want ‘effe afknijpen’ was er niet bij. En het onzichtbare gas bleef maar komen.

Wat je niet ziet, is er niet. Een heel erg – té – versimpelde definitie van empirisch waarnemen. Toch is een manier van kijken die makkelijk aansluit. ‘Tóón het me maar aan dat je gelijk hebt. Laat het me zíen’. Bewíjzen willen we, want anders is een bewering niet waar. Net als met dat gas is het echter ook een kwestie van goochelen met zichtbaarheid. De sovjet-overheid was er een kei in, in ‘liegen met statistiek’.

Wij kunnen er echter ook wat van. De oudere werknemer van gisteren – waarvan ik nog steeds vind dat de oudere díe niet op de korrel heeft, maar wél de uitkering die ze willen uitsparen – is een prima voorbeeld.

Het is niet voor niets dat er zoveel oudere mensen in een uitkeringssituatie zitten. ‘Het mag niet en dus gebeurde het niet’ is de officiële houding, maar de werkgevers hebben wel degelijk de eerste de beste gelegenheid aangegrepen om grootscheeps oudere werknemers te dumpen. Omdat geen enkele instantie optrad, omdat het aantal fabels over oudere werknemers niet werd weerlegd, is een klimaat ontstaan waarin dat effect gewoon is.

Inmiddels is er al lang een nieuw fenomeen ontstaan, waarover je – via de media in elk geval – niets hoort. We hebben onzichtbare kansloze werklozen. Verdwenen uit het legioen werklozen, onzichtbaar gemaakt. Terwijl alles wat, officieel, wordt gedaan, is gebaseerd op zichtbaarheid.

Geen idee of je er wel ’s bij hebt stilgestaan. Neem een werkloze van een jaar of 55-60. Eentje die de maximale WWduur krijgt: drie jaar en twee maanden. Nog afgezien van de hoogte van die uitkering, redt die persoon het niet tot z’n pensioen en heeft-i tegelijkertijd geen realistische noch reële kans op werk. De struik die arbeidsmarkt heet, is bijgesnoeid en dit is het snoeiafval.

Nu kun je twee kanten op. Ofwel zal die werkloze in de bijstand komen – de IOW voor hem of haar – ofwel zal-i zelf voor inkomsten moeten zorgen. Partnerinkomsten zijn daarin bepalend (en terecht). Maar het gaat (me) niet om het financiële deel. Het gaat (me) om de zichtbaarheid.

alien_videogames

Een vrij forse groep niet-werkenden verdwijnt uit beeld. Die hebben geen recht op enige uitkering en leven bijvoorbeeld van de beroemde gouden handdruk (léven ervan, D66, het is geen geld voor her-, bij- of omscholing). Dat zijn voor die generaties bedragen die plots over meer jaren dan gedacht een inkomen moeten opleveren als gevolg van een verhoging van de pensioen- en AOWleeftijd. Dat betekent, omdat dat bedrag zoals bij werkenden níet meegroeit, stomweg minder en soms veel minder per maand.

Dat doet onzichtbaarheid. We spreken zo makkelijk over langer doorwerken. We spreken zo makkelijk over rijkdom. We spreken zo makkelijk over aantallen. We spreken zo makkelijk over wat we zien.

De ellende is dat de onzichtbare groep niet meedoet. Zij hebben geen enkele toegang tot reïntegratieregelingen noch tegemoetkomingen. Bij belastingmaatregelen zijn ze evenmin in beeld, terwijl ze naar de dagelijkse realiteit 100% vergelijkbaar zijn met werklozen/bijstandsgerechtigden. Maar omdat zij dat zélf betalen, zien we ze niet.

Het aantal werklozen gaat dalen. Dat durf ik ook nog wel te voorspellen. Een groot deel van die uitstromers zal bestaan uit ouderen die hun maximale WWduur bereikten. Dan gaat het goed, want het aantal WWers daalt. Tuurlijk, een aantal komt in de bijstand en die zal stijgen. Maar veel interessanter is de groep die ‘zichzelf redt’ – financieel – en niet meer zichtbaar is. Alsof alleen mensen met enige uitkering op zoek zijn naar zinvol werk.

De werkelijkheid is geen statistiek.