de pro-innovatie bias

“Als het erop aankomt, geef ik mijn data liever aan een beursgenoteerd bedrijf dat over vijf jaar nog bestaat dan aan een starter op zijn zolderkamer.”

Het staat er echt. Ik heb het twee, drie keer gelezen en net zitter over tikken. Wat je las, is een citaat uit de De Volkskrant van zaterdag 25 april, over medische data. Een goed stuk, dat moet gezegd, waarin duidelijk wordt gemaakt dat het leuk is (gezondheids)data te verzamelen, maar dat die zonder kennis feitelijk waardeloos zijn. Meten, meten, meten; de waan van het decennium. Ik schreef er al vaker over.

Degene die hier aan het woord is, ken ik als iemand die bevlogen strijdt voor inzet van technologie in het belang en in handen van de patiënt. Een paar jaar geleden hebben we daarover eens een lang telefoongesprek gevoerd. Ik zie mezelf nóg door de tuin benen, pratend als Brugman om hem te overtuigen van ‘de andere kant van technologie, die niemand wil zien’. Ook toen had-i al de houding van “bijsturen”. Daar geloof ik dus niets van, dat dat werkt.

“Het zijn geen schurken”. Ook dat staat er echt, en het gaat over Apple en Google.

Dat de huidige generatie tech-profeten té optimistisch is – of te weinig oog hebben, willen zien voor keerzijdes – is van alledag. In een standaardboek over innovatie – The Diffusion Of Innovations – vind je het terug als de ‘pro-innovatie bias‘. Persoonlijk vind ik die hele generatie voorspellers en aanjagers niet zo interessant; anders dan dat ik heb ervaren dat in die groep heel áárdige mensen zijn. Pas volgende generaties, die minder behept zullen zijn met het euforisch gevoel dat ‘nu álles zal veranderen’, zullen relevante stappen zetten.

Natuurlijk zijn het geen schurken. Witte boordencriminaliteit wordt deels juist gekarakteriseerd door het gedeïndividualiseerde karakter: het systeem lokt het uit, het systeem staat het toe, het systeem maakt het niet onmogelijk. Het systeem. Het systeem krijgt de schuld. Die vergoelijking ‘het systeem verbiedt het niet’ is een wonderlijke, afkomstig, als ik me niet vergis, uit de boeken van Joris Luijendijk over zakenbanken. De mens ontslagen van iedere moraal en morele afweging, want als het niet expliciet is verboden, mag al het andere. Normen en waarden? Blijkbaar te vaag. Het is naïef in die situatie te denken in termen van individuele schurken. En dus ontstaan er Systemen van het Kwaad.

Maar het meest verontrustend – of misschien wel mijn idee bevestigend – is dat eerste citaat.

Een ‘beursgenoteerd bedrijf’ in de orde van grootte van Amazon, Google, Apple of Microsoft, maar ook Facebook, hebben maar één belang: hun aandelenkoers. Ik vind het dan ook stuitend te lezen dat iemand die ik zag als ‘bevlogen voor de goede zaak’ zich met huid en haar overgeeft aan die krachten. Dat er al discussies worden gevoerd over de extreem gevaarlijke positie van dergelijke bedrijven – ondemocratisch geleid noch gecontroleerd, terwijl ze wel degelijk als nieuwe staatsmacht moeten worden opgevat – was al een teken aan de wand.

Klap op de vuurpijl is dat het dé dooddoener voor innovatie is, waarin bestendiging prevaleert boven verandering. Het gebruikte argument is hét meest gebruikte argument om niet te veranderen. Bijna woordelijk gebruikte een directeur dit argument om níet te kiezen voor open source software maar voor een (dure) leverancier: dat was minder risicovol! (Raad eens hoe het nu met hun CMS gaat….) En hier gebruikt iemand die zichzelf geportretteerd ziet als voorvechter, als innovator, deze argumentatie?! Dit zou de weg zijn waarlangs de patiënt, jij en ik, zeggenschap en zelfbeschikking krijgen? Door hun positie in handen te leggen van bedrijven die streven naar winstmaximalisatie en beurswinst?!

Ach, kom nou, als je dát gelooft, heb je werkelijk geen idee welke machten er spelen die níet technologisch zijn.

Advertenties

Een koninklijke onderscheiding voor mij, en jou

Met de deur in huis vallend: dit is een ongegeneerd pleidooi voor een lintje voor mezelf. Het spookt me al jaren door het hoofd; een gebrek aan waardering. Nu ga ik het maar eens opschrijven. En waar beter dan in deze reeks?

Het is weer ’s lintjesregen in Nederland. Overal in het land worden mensen behangen met koninklijke onderscheidingen. Het regent weer onderscheidingen in de Orde van Oranje-Nassau. In m’n tienerjaren, als opstandigheid hoogtij viert en de hormonen door je lijf razen, heb ik me afgekeerd van die hele toestand. Een lintje bleek je al na een aantal jaren dienstverband te krijgen. Blijkbaar is dat dus een prestatie: overleven op kantoor. Sindsdien zijn die lintjes geheel nietszeggend, ook na de wijziging die ergens eind vorige eeuw werd doorgevoerd.

Het was een goede zet dat automatisme weg te nemen. Het was goed om uitvoering van je werk zodanig op te vatten dat niet iedere actie heldendaad werd als het ‘gewoon tot je normale werk’ hoorde. Prima. Maar dan introduceren ‘ze’ meer aandacht voor vrijwilligerswerk, en in het bijzonder ook minderheidsgroepen en vrouwen. Alsof het hebben van een onderscheiding iets is wat normaal verdeeld hoort te zijn over het volk. Het is vanaf dat moment een ordinair beleidsinstrument geworden.

Met excuus aan diegenen die hun lintje écht verdienden……

Sinds m’n zestiende doe ik vrijwilligerswerk. Achter de bar in een jongerencentrum, in de veiligheidsdienst van een jongerencentrum, als bestuurslid van een jongerencentrum, en nog eentje, als theaterprogrammeur, als belichter, als bestuurslid van een provinciale steunfunctie – echt welzijnsjargon, hè -, als radiomaker bij een lokale omroep, als mede-uitvoerder van de grote betoging op het Malieveld tégen bezuinigingen op het welzijnswerk, als bestuurder van een lokale opbouwwerkorganisatie, bestuurder van een lokale welzijnsorganisatie, lid van een klachtencommissie van de politie, toezichthouder op arrestantenwezen, medezeggenschapsraad openbare basisschool, stedelijke gemeenschappelijke medezeggenschapsraad, voorzitter jeugdafdeling rugbyvereniging, bestuurslid rugbyvereniging, teammanager jeugdrugbyteams, organisator buitenlandse reizen jeugdrugby, journalist voor een lokale nieuwssite, verpleeghuischauffeur, free-free-freelance faciliterend medewerker muziektheatergezelschap, maatje van (ex-)psychiatrisch patiënten: ik geloof dat ik ze heb.

In het verleden heb ik wel mensen gesproken die zich verbaasden over “al die onderwerpen waarvan jij verstand hebt”. Dat ik er ‘verstand van hebt’ zal ik niet snel beweren, wél dat ik er iets van wéét. Want dát weet ik wel: ik heb heel veel verschillende dingen gedaan, gezien en meegemaakt op verschillende niveaus. Persoonlijk ben ik er trots op dat ik geen ‘carrière’ heb die uitsluitend bestuurlijk is. Ik heb ze genoeg gezien in de besturen waarvan ik deel uitmaakte. De (VWS- en gemeente)ambtenaar die vanwege hun functie(titel) verstand te hebben van het (welzijns)werk en vooral zuiver theoretische, en krakkemikkige, verhandelingen ophangen. Adviseurs en (O&W-)topambtenaren die menen te weten hoe je het leven op een basisschool organiseert, en kapotmaakt. Ik moet zeggen dat het me niet zal verbazen als de WMO en de herziening zorg en arbeidsvoorziening faliekant mislukken. Dit is de reden. En denk niet dat de ‘professionele’ adviseurs beter zijn.

Je belangeloos inzetten voor anderen vind ik een hoog te waarderen en zwaar ondergewaardeerde zaak.

Het mag dan wel zo zijn dat er ieder jaar weer een paar honderd mensen een lintje krijgen. Maar dat zijn over het algemeen weer de bekende verdachten: oud-politici en mensen die al jaren meedraaien in de (vergader)circuits.

Er zijn duizenden mensen zoals ik. Mensen die vrijwilligerswerk doen omdat ze het belangrijk vinden met ‘de poten in de modder te staan’ voor anderen. Belangrijker nog: het zijn vaak mensen die helemaal niet zo snel zullen worden gezien in de netwerken en op de plaatsen die ‘er toe doen’: de receptiezwervers en netwerkhakers. In al die jaren heb ik er honderden meegemaakt. Mensen wier namen ik vaak al lang weer kwijt ben, maar die zich wel echt opofferden of een deel van hun leven eventjes opofferden. Mensen die, als ik ernaar kijk, een veel grotere bijdrage dan veel anderen.

want die bijdrage is een relatief begrip. Een besturend ambtenaar zal mijn waardering niet snel krijgen. Hij doet gewoon het enige wat-i ook als trucje op z’n werk heeft geleerd: vergaderen en vragen om nadere studie. Mensen die niet persoonlijk worden getroffen door de gevolgen van hun handelen. Die goed kunnen praten óver. Daar is niets altruïstisch aan.

Nee, doe mij dan maar die man die drie dagen als eindverantwoordelijke bezig was een grote circustent in een storm overeind te houden, terwijl dat z’n werk helemaal niet is. De jongere die zijn vakantiedagen opoffert om in Roemenië mee te klussen aan een weeshuis. De vrouw die een vage kennis in huis neemt omdat die op straat zal komen te staan. Eigenlijk zouden álle vrijwilligers of géén vrijwilliger geëerd moeten worden.

Het zijn net bonussen, die lintjes. Ze hebben geen enkele functie en geen enkele betekenis. Ze zaaien – onbedoeld – tweedracht.