Een cadeau

Vandaag wilde ik een cadeau kopen voor iemand die dertig wordt. Dat schijnt ernstig te zijn. Niet dat ik er zelf ooit iets van heb gemerkt, noch van eenendertig of negenenvijfitg. Wellicht dat zestig iets teweegbrengt. In elk geval, ik zocht.

In mijn hoofd had het plan post gevat de aanstaande jarige een dichtbundel te geven. Zoals vaker had ik geen idee: het leek me wel passend. Dertig is zo’n tijd van haast en nog meer haast. Gedichten zijn, met uitzondering van Johny van Doorns wellicht, vertragend, overpeinzend, contemplatief. Maar de ellende met gedichten vind ikzelf dat je zoveel moeite moet doen bij het lezen. Het is me al vaker opgevallen als ik dichters zélf hun werk hoorde voordragen; hun stemgeluid en ritme hóren bij een gedicht.

Dus zocht ik een luisterboek, in Leiden. Daar hebben ze niet veel meer. Poëzie op papier is al schamel bedacht, maar poëzie op cd is er hoegenaamd op een zaterdagochtend niet te koop. Jammer. Want poëzie op papier vind ik lastig kopen voor jarigen.

Nog lastiger was dat ik niet meer wist hoe de dichter heet wiens werk ik zocht om cadeau te geven. Een paar jaar geleden hoorde ik hem tijdens Olympus, een Leids poëzie-evenement aan de voet van onze oorsprong, de aarden heuvel De Burcht. Een aanrader, overigens; dat Olympus. En de heuvel ook, sorry. Op zo’n avond kom je er achter dat je de gedichten van Ilja Pfeijffer helemaal niet moet kopen als bundel. Je moet ze hem zelf horen voordragen. Dat voegt meer dan iets toe.

Eén van de dichters die op mij indruk maakte, als persoon en dichter, is de psychiater – waarom schrijf ik dat nu erbij? – Frank Koenegracht. Jammer genoeg ‘hoor’ ik hem als ik één van z’n gedichten lees. Dat gaat jou niet lukken, vermoed ik. Maar lees het toch maar, want het past zo mooi in onze tijd (en op gedichten.nl vind je meer proeverij, alvorens je naar de boekhandel rent.

BRIEF AAN MIJN MOEDER

Moet je horen, mamma, luister je?
Ik lees hier over een aanbod
waarbij zeer oude moeders met
meestal zeer oude zonen die
om niet tastbare redenen niet meer
bij ze willen slapen
een zwaan ter beschikking wordt gesteld
door de thuiszorg.
Het gaat om Hollandse zwanen.
Ze zwemmen overdag rond,
maar ’s avonds worden ze opgeborgen
in prachtige vitrines.
Ze worden thuisbezorgd en in je bed gelegd.
Ze slaan hun linker vleugel om je heen: dat
is tegen angst voor duizeligheid en ze leggen
hun snavel op het andere kussen:
dat is tegen de eenzaamheid.

’s Ochtends worden ze weer opgehaald.
Nou, doe het maar, mamma.
Je bent er immers voor verzekerd.

—————————————–
uit: ‘Lekker dood in eigen land’, 2011.

Advertenties

De bereikbaarheid van Leiden

Leiden heeft er weer een nota bij; een soort van meta-nota. Dat ‘een soort van’ is noodzakelijk, want het is een wat vreemde eend: de mobiliteitsnota.

Eind vorig jaar kwam ik er voor het eerst mee in aanraking, doordat ik een artikel moest schrijven over de eerste bijeenkomst met Leiden over de nota. Dat bleek een bijeenkomst zonder agenda, waar iedere aanwezig zijn zegje kon doen aan een tafel. Daarbij moet je je dus ook letterlijk tafels voorstellen; een stuk of zeven, waarover een aantal ‘discussiegebieden’ en een aantal ‘discussiethema’s’ waren verdeeld. Maar wonderlijker vond ik de status van een te maken nota met de naam mobiliteitsnota. Samen met, zo bleek, wat meer mensen verwachtte ik vooral een nota met een visie op mobiliteit, met prioriteiten op het niveau van ‘Leiden wil een fietsstad zijn’ (of een autostad. Het is maar een voorbeeld). Daaruit, verwacht je, vloeien dan knelpunten met de bestaande situatie voort en dus beleid en beslissingen.

Niets is minder waar. De Mobiliteitsnota is niet dat visiedocument. Het blijkt een totaal-overzicht te zijn van alles wat de gemeente Leiden van plan is aan te pakken in de periode 2015-2022. In feite kun je in de nota een groslijst vinden, zoals die eind 2014 bestond. Want dat is uiteraard het bijzondere. De nota is gedateerd op het moment dat-i wordt vastgesteld. Ideeën, maar vooral omstandigheden, feiten, zullen de ontwikkelingen van de mobiliteit in en om Leiden gaan beïnvloeden. Omstandigheden die we grotendeels níet kunnen voorzien. Een periode van zeven jaar is dan wel bijzonder optimistisch lang.

Zo’n nota is nogal wat. Er staat echt veel in. Wat dan ook lovenswaardig is, is dat wethouder en ambtenaren alle tijd namen om ‘de pers’ te woord te staan. Uiteraard uit welbegrepen eigenbelang, maar zeer zeker ook omdat dit nu zo’n nota is die veel invloed heeft op de stad. Niet dat er megalomane ingrepen worden aangekondigd, maar omdat het gaat om iets wat ons allemaal raakt: onze (graden van) vrijheid om te bewegen. Wordt die ingeperkt of ongebreideld? Gaat de gemeente dwingend bepaalde toutes opleggen? Mogen we nog zélf bepalen waar we parkeren? Is lopen in Leiden een kwestie van survivallen? Mobiliteit raakt aan de dynamiek in en van de stad.

Uiteraard gaat dat nooit naar ieders tevredenheid lukken. Niet omdat er haast net zoveel meningen als inwoners zijn, maar vooral ook omdat de stad zelf dwars kan liggen. Er zijn nu eenmaal plekken die nooit ofte nimmer zijn bedacht op zoveel (modern) verkeer. In de toekomst – óók in Leiden, volgens de nota – zal er vast een veel intelligenter verkeersbegeleidingssysteem komen dat ons slim van A naar B loodst. Maar tot dat er is, blijft het behelpen met voorkeursroutes. En met de grote uitdaging een zo logische structuur te hebben die wij, gebruikers, ons snel kunnen eigen maken. Dat is de beroemde mental map van de stad, waarin de (logica van de) stadsstructuur is opgeslagen in ons hoofd. Daarin gaat Leiden ons uitdagen, want van noord naar zuid zou best weleens het snelst kunnen zijn via oost of west. En of we dát gaan doorhebben? Kortst kan best vijand zijn van snelst.

De afgelopen maanden was al steeds duidelijker geworden dat Leiden een snelle afwikkeling voorstaat. Er gaan twee bruggen worden ‘afgesloten’ (in elk geval niet meer tweerichtingen open voor alle verkeer) waardoor er nieuwe verkeersstromen zullen ontstaan. Stegen worden afgesloten voor fietsers. Voor voetgangers wordt niet veel éxtra gedaan, maar er komt wel extra áándacht voor hen in andere plannen. En de grote vraag is en blijft of alle verkeersdeelnemers zich conformeren aan dat alles, of ‘gewoon hun eigen ding blijven doen: de kortste – en in hun ogen snelste – route kiezen’.

Dat is iets wat de nota een beetje ontbeert. Hij gaat over de de stad Leiden. Maar wie door z’n wimpers leest, ziet dat relatief veel aandacht wordt gegeven aan niet-inwoners: transitverkeer, toeristen, (winkelend) publiek van buiten de stad. Da’s best vreemd. Laat de vervoerbusjes van verpleeg- en verzorgingshuizen eindelijk eens (gratis) van busbanen en dergelijk gebruik maken. Dan kunnen ook die mensen eens op een redelijk eenvoudige manier ergens komen.

(En, Leidenaars, het zou mij niet verbazen als we onderstaand citaat moeten opvatten als het versmallen van die route en het beschikbaar komen van (veel) bouwgrond.)
IMG_3365