Het eind van de welvaart

Een soort van reality check: iemand die terloops noemt dat we een bijzondere eeuw achter ons hebben liggen. Eentje waarin oorlogen min of meer verdwenen uit de westerse wereld en de welvaart toenam. Jôh, denk je dan, dat wisten we toch al? En dan, bam, komt-i vol binnen; als dit een uitzonderlijke periode is, wat is dan de gemiddeld normale staat? En dus: wat staat ons mogelijk wéér te wachten?

Misschien is het genetisch bepaald – mijn vader was verzot op geschiedenis en kende ontelbare feiten en jaartallen nog uit het hoofd – maar ik ben fan van oral history en sociale geschiedenis. Jaartallen vind ik lastig, en feitjes eigenlijk ook wel; de ingekleurde grote lijn is wat me kan vastgrijpen. Het verhaal, al lang voordat iemand het begrip story telling muntte.

Jammer genoeg zijn die verhalen niet echt opwekkend genoeg om jubelend naar huis te schrijven: ‘er ligt ons een sprookjesachtig mooie toekomst te wachten’. Eerder het tegendeel ben ik bang.

Auke van der Woud beschrijft in Koninkrijk vol sloppen Nederland aan het begin van de twintigste eeuw. Dat is een onthutsende (lees)ervaring. We hebben het over honderdenvijftien jaar geleden; twee, drie generaties terug. Nederland maakt dan de transitie door van een klasse- en standenmaatschappij naar de (meer) egalitaire die wij als vanzelfsprekend beschouwen. Maar de verdwenen versie is de versie die, historisch gezien, de normale versie is; met als basis ongelijkheid.

Die ongelijkheid nestelt zich momenteel weer in de samenleving. De vraag is of ze weer de vormen zal willen en kunnen aannemen van toen. Dat zou een samenleving betekenen van een kleine, rijke bovenlaag en een straatarme onderlaag, gescheiden van elkaar door een ‘middenklasse’. Tóen was het een onbetwiste, statische ordening in de zin dat geboorte een belangrijke rol speelde voor je kansen in het leven. Van der Woud beschrijft het onvoorstelbaar sombere leven van die kansarmen en -lozen. Nederlandse steden toen zijn helemaal vergelijkbaar met wat wij nu op televisie zien als sloppenwijken van wereldsteden.

Het is de komst van wat Tönnies de handelsklasse noemt – de mensen die overal handel zien en uitsluitend zijn gericht op (geld) verdienen aan – die die samenleving open breekt. Vanaf dat moment ontstaat er ‘nieuw geld’ en wordt de samenleving als een noot gekraakt. Het ragfijn spel waarmee standen in stand worden gehouden en geïdentificeerd, wordt vervangen door het grofstoffelijke ‘wie heeft hoeveel geld’, om met Olivier B. Bommel te spreken. Overigens stopt de beweging vooralsnog niet. Schetsmatig verandert de samenleving van een sociaal vrij hechte groep in een verzameling losse individuen, geleid door regels.

311379e09040ee5405500447f1e6d05e

Terug naar de sloppen die Van der Woud beschrijft, zullen we niet snel terug keren; alhoewel, wie de tentenkampen langs snelwegen bij grote wereldsteden moet daaraan welhaast gaan twijfelen. Maar de ingrediënten zijn er: een enorm scheve welvaartsverdeling, een gefragmenteerde groep, en regelgeleid gedrag waarbij onduidelijk is in wiens voordeel de regels uitwerken c.q. zijn opgesteld.

We zitten nu met een situatie waarin de hoopvol gestemden het beeld van de toekomst bepalen. Sterker, het is inmiddels not done kritisch, pessimistisch, voorzichtig of sceptisch te zijn over de toekomst. Dat ik dat vind getuigen van een stuitend gebrek aan intelligentie – het kunnen verbinden van kennis uit verschillende bronnen tot een nieuwe, eigen visie – zal de lezer van dit blog inmiddels duidelijk zijn. Maar wat ik echt éng vind, is dat er een groep mensen dreigt te ontstaan die zonder dat zij dat weet wordt ‘voorgesorteerd’ als nutteloos. Lévi-Strauss concludeerde “als een samenleving te veel leden gaat tellen, ze alleen kan voortbestaan door knechting te creëren” (in Van der Woud, p14). Niet per sé lokaal, of regionaal, of landelijk, maar ook internationaal.

Meer mensen dan werk, dan mogelijkheden om te voorzien in het bestaan; dat hebben we toch niet meer? Maar voorspellen de technische ontwikkelingen die situatie dan niet?! Maar dan met uitsluitend mensen die zorgeloos van de vrijgevallen tijd kunnen genieten. Of ontstaat toch weer die afschuwelijke afhankelijkheid die Multatuli beschreef (ook in Van der Woud, p.62):

Zeker makelaar te Amsterdam, verklaarde my eens, in het heetst van de zomer, dat hy zo gaarne een lichte strooien hoed zou dragen, doch dat die vrypostigheid hem zeer kwalyk genomen zou worden door heren patroons. De man durfde het niet doen. Zo’n verregaande emancipatie zou hem zyn te staan gekomen op ’t verlies van zyn broodwinning!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s