Waarom heeft Leiden geen restaurant in het Stadsbouwhuis?

Het staat me nog helder voor de geest. Samen met een collega – die later een bekeuring mocht ontvangen voor te hard door het verder lege dorp rijden – was ik in het noorden van Nederland. Een wonderlijk mooi landschap; niet dat de vlakte de schoonheid betrof, de wólken die doen ’t ‘m. We moesten naar een noordelijke sociale dienst, mét werkplein.

Daar sta je dan. In een gebouw dat ietwat de allure heeft van een Zweeds chalet: veel grenen, houtverbindingen en een loos puntdak. En vooral … leeg.

Dat is het moment dat ik tegen de tweede collega – hij is daar al jaren gedetacheerd – zeg: “Maar waarom maken jullie hier geen inloop mogelijk? Gewoon een soort van restaurant, coffeeshop, maakt niet uit. En laat je dienstverlening daar plaatsvinden. Veel soepeler, veel efficiënter, veel meer ín het dagelijks leven. Wedden?”

Het idee daarachter is niet zo enorm complex. Als ik me voorstel hoe je gesprekken voert, dan vallen de zakelijke overleggen op doordat zij worden gevoerd in een prikkelloze – sorry: zakelijke – omgeving. Een overlegtafel. Wat dodelijk-trieste versiering in de vorm van een bloemetje, een bakje creamer, suiker en roerstaafjes, of een artistiek niemendalletje – liefst van een collega. Ellendigheid straalt er van af. Maar het mág ook niet al te frivool zijn, want werken en overleggen zijn een serieuze aangelegenheid. En dus doen we de meeste zaken in een informele(re) omgeving. Maar dát valt dan weer niemand op.

Die informelere omgeving wordt wel degelijk herkend door beroepsgroepen die mét mensen werken. De iconische bank van de psychiater is niet voor niets iconisch geworden. Hij staat voor een omgeving die geruststellend werkt, die gesprekken ontdoet van scherpe randjes, en die uitnodigt tot ‘veilige gesprekken’. Voor wie mensen ondergeschikt zijn, is dat een vreemde ruimtelijke taal. Gezelligheid, veiligheid, ontspannenheid, openheid: het zijn begrippen die niet worden begrepen door de vergadertijgers. Die hebben nog nooit stilgestaan bij een concept als hostmanship, zoals het later is gemunt.

Maar het zijn ook de signalen hoe over de ander, de klant, wordt gedacht.

In de sociale zekerheid hebben we de mond vol van het weer enthousiasmeren van mensen. De mond van ínclusie. Van activering. Maar de taal van de plekken waar dat dan tot stand moet worden gebracht is een heel andere: een steriele, bijna wantrouwen uitstralende. Werkpleinen, sociale diensten, UWVkantoren: hólen zijn het, kil en sfeerloos. Daar wordt niet gewerkt aan het activeren van mensen, in eigen kracht zetten, positiviteit bij brengen; daar wordt zakelijk en ritueel gecommuniceerd. Daar wordt, kortom, tijd en energie verspild.

In Leiden hebben we ook zoiets. Om te beginnen al niet in het centrum van de stad ligt daar een ‘werkplein’ waar zowel het UWV Werkbedrijf als de Sociale Dienst zich bezig houden met het reïntegreren. Als je er binnenkomt, sta je echter in een omgeving die zó afstandelijk is dat je automatisch in een afwerende modus schiet. Hier kúnnen niet de mensen zitten die jou gaan helpen. Dit is eerder de wachtruimte van een tandarts of een ziekenhuis van jaren her. Want dat ziekenhuis; dat heeft al jaren geleden de kracht en voordelen ontdekt van een publieksvriendelijke aanpak, met coffee corner, restaurant, winkeltje, gastvriendelijkheid. Maar overheidsdiensten doen daar niet aan. In elk geval in Leiden niet.

Mijn vraag van toen in het noorden kan ik jaren later nog steeds stellen in Leiden: waarom is er niet een situatie gemaakt waarin cliënten ongedwongen binnen kunnen en willen lopen; om een kop koffie te halen, iets te eten, met anderen (bij) te kletsen, maar ook om informatie op te halen, een gesprek aan te knopen met een ‘toevallig aanwezige’ consulent (die daar als in een café zit te werken)? Waarom kan er geen ontmoetingsplek worden gecreëerd met de kenmerken van een petit restaurant, een lunchroom, een (eet)café? Omdat het te ongedwongen is? Juist dát zou de dienstverlening naar een hoger plan tillen; voor zowel de cliënt als de gemeente.

Het was in Leiden een enorme stap toen jaren geleden een doods plein, het Stadhuisplein, tot leven werd gewekt door de komst van horeca ín (de toenmalige fietsenstalling van) het stadhuis. Dat kón niet. Sommigen zagen er zelfs de ontering van het stadhuis in. Het succes is er. Maar het is en blijft een raadsel waarom in Leiden die oplossing niet vaker wordt gekozen: een veel informelere toegang tot dienstverlening. Het is zo simpel.

2 thoughts on “Waarom heeft Leiden geen restaurant in het Stadsbouwhuis?

  1. Joke’s on you, er is een restaurant op de 2e verdieping, maar die is alleen bedoeld voor mensen mét een baan.

    • Niet alleen is dat de kantine, die tegenwoordig ook allemaal restaurant heten, maar het is ook de strekking van het verhaal niet: dat is eerder de vraag hoe je dienstverlening aanpast aan ‘de klant’.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s