Het eind van het fietspad

Sommige dingen kun je zien aankomen.

In vakanties heb ik me vaak enigszins verbaasd over het gebrek aan voetpaden in sommige buitenlanden. Sterker, in veel gevallen ontbrak het voetpad. Dat heb ik altijd als een rarigheid opgevat; als één van de redenen waarom buitenlanden zo leuk (kunnen) zijn: het is er anders dan hier. Maar het ontbreken van een voetpad was toch echt wel errug onhandig voor ons Nederlanders die alles netjes in goede banen willen leiden, letterlijk en figuurlijk.

Sinds een paar jaar kijk ik er anders tegen aan.

Wegen weerspiegelen de stand van het transport, van mensen, dieren en dingen. Waar de middeleeuwers nog boomstammetjes in de moerassen neerkwakten om van de ene naar de andere kant te komen zonder veenlijk te worden, hadden de georganiseerde Romeinen allang doorgaande wegen aangelegd. Het geeft een indicatie van de manier van denken over de publieke ruimte. De Romeinen hadden daar al vrij moderne ideeën over, terwijl die Middeleeuwer zich vooral bezighield met ‘zijn eigen stad’ (de grap is dat je die houding nog wel ’s terugziet op gemeentegrenzen. Straatverlichting die plots stopt. Maaimachines die geen meter bermgras van de buren maait.)

In Nederland hebben we het prima geregeld. Over het algemeen, want klagen valt er altijd wel wat. Over de spookfietser, over de non-uniformiteit van voorrang op rotondes, over de snelheid waarmee je de spreekwoordelijke klinkers uit de straat kunt en mág rijden in de ‘buitengebieden’. ‘Agent, ik ken deze weg al m’n hele leven en ik wéét dat je hier makkelijk honderd kan rijden. Ja, dat bord met zestig heb ik gezien. Dat is voor mensen die deze weg niet kennen.’

Wij hebben een aantal types autowegen, snel, sneller, snelst. We hebben fietspaden, voor alleen fietsen gecombineerde met brommers, en ook nog versies waarin een deel van het traject wel en een deel níet voor brommers toegankelijk is. We hebben één- en tweerichting fietspaden. En voetpaden. Als je gelukt hebt, kun je ook nog ruiterpaden tegenkomen. Dan slaan we nog niet eens acht op de uitzonderingen: de busbaan, de bus- en vrachtautobaan (met en zonder tijdvakken), de taxibaan (vaak in combinatie met de bus), de onverharde weg (het landweggetje waarop in historische romans de koetsen en/of paard en wagens reden).

We staan er niet meer bij stil. Maar eigenlijk zijn het allemaal fossielen, versteende objecten, artefacten.

Het woord artefact past heel goed bij de verkeersinfrastructuur. Want ze zijn aangelegd om een bepaald soort vervoer mogelijk te maken en hebben daarmee een bepalend stempel gedrukt op de inrichting van een gebied. Hier in Leiden zie je dat goed. Waar de Middeleeuwers en dergelijke nog primair een stad bouwden om te wonen en te werken, en stadsstraten ‘ontstonden’, en voldeden, is het nu zo dat ‘het moderne verkeer’ zich niet verhoudt tot die straatjes, stegen en pleinen. Gelukkig werd er ook veel van watertransport gebruik gemaakt. Dat opent mogelijkheden water te overkluizen of te dempen en dáár wegen aan te leggen voor dat moderne verkeer.

Sinds de jaren zestig is de verandering al gaande: de democratisering van transport. Ene Den Uyl had het al over ‘een auto voor iedereen’. En dus explodeerde dat. Omdat planning- en maakbaarheidsdenken de toenmalige modewoorden waren, en dus onbetwist zoals we nu zwijmelen van ‘coöperatie’, ‘netwerk’ en ‘authenticiteit’, ontstond de stedebouwkundige, de planoloog en de verkeerskundige. En de vele (mislukte) rondwegen, onbegrijpelijke stratenpatronen en onbereikbare stadswijkwoningen.

Kortom, we doen zo goed als we op dat moment kunnen. Maar in de openbare ruimte levert dat dus wel artefacten op. Structuren die we na verloop van tijd eigenlijk niet meer nodig hebben. Of die in elk geval ánders zouden moeten zijn. Hier in Leiden gaat het over het terughalen van trams door de stad, bussen – sorry, hóógwaardig openbaar vervoer – door de oude binnenstad. Eindeloos getwist. En iedereen weet dat er geen oplossing is die iedereen gerieft: de stad is nooit bedacht voor ons soort van vervoer.

De eerstvolgende discussie komt er al aan. De elektrische fiets die naar de rijbaan wordt gestuurd (als-i sneller dan 25 kilometer per uur kan en zal gaan). Na de knetterende bromfietser en later de scooter nu dus weer een snelle versie van ons langzaam verkeer die voor problemen op het fietspad zorgt. Inmiddels is die trage fietser al haast een minderheid. En rijst de vraag: voor wie leggen we eigenlijk fietspaden aan?

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s