Jij, de toerist

Het leukste aan vakantie – op zich al een blogpost waard – is de terugkeer naar huis. Is alles er nog? Er zal toch niet zijn ingebroken? Wat zal er zijn veranderd? Nou, meestal niets. Misschien dat de gemeente een boompje heeft geplant of geveld, maar meestal is dat het wel. Bij de meeste van ons ís niet ingebroken en staat het huis er nog steeds.

Er is één moment wat mijn favoriet is. Dat is het moment waarop we Nederland weer binnen komen. Niet omdat het zo’n ‘we zijn weer thuis’gevoel oproept. We hebben ooit drie of vier achter elkaar meegemaakt dat we werkelijk bij het passeren van de Belgisch-Nederlandse grens in de regen kwamen. Op een gegeven moment leek het gewoonte te zijn. Dat was het jaar waarin het níet meer regende toen we thuis kwamen.

Nee, thuis komen geeft je even, héél even de mogelijkheid je eigen omgeving, je eigen land met vreemde ogen te zien. Alsof je toerist bent en net aankomt.

Als ik eerlijk ben, is dat geen onverdeeld genoegen.

Dit jaar kwamen we bijvoorbeeld terug uit Berlijn. Met de trein. Als toerist word je dan neergezet op een achteraf spoor op Amsterdam Centraal. Een griebus perron, om eerlijk te zijn: smal, vuil en een trap die je in een tunnel van geen enkel allooi voert. Amsterdam CS blijkt zich net aan te kunnen meten met de satellietstations van Berlijn, maar staat lichtjaren af van het Hauptbahnhof, van Antwerpen CS, van Paris Nord of Londen. De trein naar Leiden was smérig. Dát is dus de ervaring van een bezoeker.

Mij was dat nooit zo opgevallen. Want die trein en perron waren conform Nederlandse reinheidsnormen. De realiteit is dat de realiteit verblindt. Het is iedere keer weer een gewaarwording te merken dat je na slechts een paar dagen afwezigheid al met andere ogen naar je vanzelfsprekende omgeving kijkt. Heel maf. Heel leerzaam.

Zo arriveerden wij jaren terug vanuit Barcelona in Leiden. Wat mij het meest bij is gebleven, is dat Leiden ’s avonds zo ongelooflijk donker (en kaal en grauw) oogt. De bus reed ons door de ‘belangrijkste straat van Leiden’. Er was niets te zien. Een reiziger moest moeite doen om iets te ontwaren door de ramen van de bus. Er liepen wat losse figuren rond. Het was vooral dónker. En die straat wil Leiden ‘opwaarderen’ met ‘winkelallure’?! Dan zul je dus echt eerst en vooral Licht en Leven moeten introduceren.

Voor mij zijn het kostbare beelden.

Om je keihard-pijnlijk met je neus op je eigen waarnemingsvertekening te wijzen. Voor mijn of jouw dagelijks leven is dat geen belemmering. Wij zien sommige aspecten niet niet (meer). Wij kunnen best tevreden zijn met onze omgeving. Daarin filteren we. Onaangename beelden worden verzacht (of weggegumd uit je waarneming). Schoonheid en lelijkheid vervloeien tot een nondescriptief decor. Je let er niet goed op, waardoor schoonheid én lelijkheid onzichtbaar worden gemaakt. Maar de bezoeker heeft die dagelijkse ervaring niet en zal de stad op een heel andere manier zien.

Daarom zijn die terugkeer-beelden zo belangrijk. In die minder dan een paar uur neem je je eigen omgeving waar als een vreemde. Dát zijn de ervaringen die relevant zijn voor stadsontwikkeling. Ik vond Leiden donker en dreigend. Wellicht miste jij een goede bewegwijzering? Vond je de stadsbewoners horken? Vroeg je je af hoe je eigenlijk snel bij de stadskern kwam als bezoeker? Al die vragen en ervaringen die je leven elders, in ‘den vreemde’, bepaalden.

Een stad die serieus aan de slag wil met stadsontwikkeling zou eigenlijk óók zijn inwoners naar díe ervaringen moeten vragen. Naar die zeldzame momenten waarin je objectiever, out of the box ervaart. Ziet hoe het visitekaartje er werkelijk uitziet.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s