Vlees en bloed

Wij hebben zo’n vijfentwintig jaar kinderen.

Katten hebben we sinds we in Leiden wonen; laten we zeggen vijfendertig jaar. We versleten er een stuk of zes, zeven. Ik realiseer me nu dat ik de tel kwijtraakte. De allereerste waren broer en zus. Die zijn, net als alle andere na hen, ‘geholpen’. Wie daarmee is geholpen, bleef wat in het vage. De beestjes werden wel rustiger, huiselijker en vadsiger (vanaf dag één ging daarom hun hoeveelheid voedsel naar de helft van de dag ervoor).

Dan heb je dus plots levende wezens waarvoor je verantwoordelijk bent. Broertje bijvoorbeeld bleek, net als meer gecastreerde katers ontdekten we in de daarop volgende jaren, blaasproblemen te ontwikkelen. Duur dieetvoer, waarop onze huidige vijftienjarige al meer dan tien jaar leeft, werkte niet.

Een probaat middel wél: zijn penis werd geamputeerd en vervangen door een bredere uitweg. Dat bleek een soort ventielslangetje met een rozetje vastgezet onder de huid. Hij kon in elk geval niet meer verstopt raken en daardoor het tijdelijke voor het eeuwige verruilen, ondanks zijn meerdere levens.

Van die surrogaat penis kreeg-i er uiteindelijk drie of vier, voordat de dierenarts en wij vonden dat het nu toch wel belastend begon te worden. Voor de kat natuurlijk.

Die beestjes brengen toch wel zorgen met zich mee.

Eén van de heren vonden we ’s avonds in de slaapkamer. Toen we daar naar binnen gingen en het licht aan deden, leek het een moord scene: overal bloed. Meneer zat onder het bed. Z’n schedel lag open en leek op een fontanel, maar dan ongewenst. Waarschijnlijk was-i aangereden. Het is weer goed gekomen. Maar de verrassing, schrik en daarna zorgen vergeet je niet 1-2-3.

Een andere kat was onfortuinlijker. Die liep achter de kinderen aan naar school, maar keek niet goed uit. Volgens de stadsreiniging, die je toen kon bellen als je huisdier zoek was, was er wel iets gevonden dat op een rode kater leek. Maar het kon evengoed iets anders zijn.

Kortom, die beesten leveren hoofdbrekens op. Ze lopen weg en komen al dan niet terug. Ze vechten en komen dan zwaar bloedend, met een los oor of een gebroken poot naar huis. Verbazingwekkend hoeveel pijn ze doorstaan. Een gebróken poot en dan wekenlang zonder janken, piepen of miauwen hinkend door het leven gaan.

En soms moet je ze laten inslapen. Katten houden, betekent Gods oordeel vellen. Da’s niet leuk, maar wel nodig.

De kinderen hebben we vijfentwintig jaar. Da’s uiteindelijk toch lastiger dan katten.

Allebei, de katten en de zoons, krijgen een totaal oordeel ‘leuk en onvervangbaar’. Maar wat vies tegenvalt, is dat kinderen meer een eigen wil hebben. Waar vader en moeder kat de jongen in zo’n geval meteen de spreekwoordelijke deur uitschoppen – of de kittens zien verdwijnen met wildvreemden – zo zitten wij ons hele leven aan de kinderen vast. Ze gaan nooit meer weg.

Ouders willen het beste voor hun kroost. Of het kroost hetzelfde idee heeft, is nog maar de vraag. Met als gevolg dat dat geregeld níet spoort. Of ze ontwikkelen de foute – andere – politieke inzichten. Of ze studeren niet, dan wel iets onbetekenends. Of ze maken de verkeerde sociale keuzes.

Stippel niks uit en lijd in stilte en eenzaamheid. Ze komen wel op hun pootjes terecht. Dat is wel de gedachte waaraan ik me nu vasthoud.

Eén van onze zoons maakt er een zooitje van; meer dan één blogpost aan kan. Nu hij kortgeleden een nieuw dieptepunt bereikte, schoot even door me heen dat toen hij vijfentwintig jaar geleden werd geboren in de wieg een vrolijk mensje lag. Een mens met een heel leven aan kansen vóór zich.

En dat je in de loop van de jaren jóuw projectie van zíjn gelukkig leven ziet verflauwen. Niet dat dat betekent dat het allemaal doffe ellende is. Het is hun zelfstandig worden en zijn.

Misschien is dat ook zoiets wat je in de loop der jaren door ervaring leert. Dat ook je ideeën over het hebben van kinderen behoorlijk geromantiseerd zijn en als je je dat te laat realiseert grote problemen kunnen ontstaan. Jouw ‘vlees en bloed’ betekent niet alleen dat het onvervreemdbaar aan je vast zit.

In tegenstelling tot die katten blijft het – normaliter en op afstand – ook bij je. Het bouwt een eigen leven op. Maakt eigen keuzes. Maar tegelijk moet het sinds kort plots ook worden gezien als een oudedagsvoorziening.

Da’s maf. Want waar is dan het moment dat je, in de betekenis van een zórgrelatie, kind-af bent?

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s