Dualisme

Leiding geven en sturen zijn lastig om goed te doen. Alhoewel het land inmiddels is vergeven van de leidinggevenden zijn er maar weinig leidinggevenden. Dat vereist charisma en visie, waarop gezag is gestoeld. De misleiden van nu die zichzelf leiding vinden geven, doen dat in negen van de tien gevallen op basis van macht.

In de gesprekken die ik de afgelopen maanden met Leidse politici voerde, kwam het verschijnsel leiding geven ook aan de orde. Met gedachten die de moeite waard zijn om bij stil te staan.

Er lijkt in Leiden een zekere consensus te bestaan dat een stadsbestuurder aan vier jaar te weinig heeft. Eigenlijk zou hij er zes moeten hebben om plannen voor te bereiden en uit te voeren.

Dat klinkt logisch. Maar het reikt óók een mogelijke verklaring voor de inertie aan die ‘de overheid’ karakteriseert in de ogen van half Nederland. Leiding geven is níet afhankelijk zijn van de omgeving, maar in wat zij de politieke realiteit noemen is dat wel de situatie. Leiding geven bij de overheid zou dan níet lijken op leiding geven elders.

Daarin zit een grote, harde kern van waarheid. De vraag is of je die moet accepteren als onvermijdelijk. Dat leidt tot (de indruk van) besluiteloosheid en zeker tot machtsstrijd als gevolg van onduidelijke krachts- en machtsverhoudingen. Gezaghebbend leiderschap heeft een functie. Zeker overleg op basis van gelijkwaardigheid – level playing field – kan niet goed zonder zo’n gezaghebbend knopendoorhakker.

Blijkbaar is ‘de overheid’ daar niet goed in (en z’n semi-publieke sector trouwens evenmin), waardoor het niet zozeer een kwestie is van meer tijd aan de wethouder gunnen als gezaghebbende wethouders. En dan moet je de oude gedachte van de vierde macht weer eens afstoffen. Want dat gezag krijg je niet als wethouder. Dat word je gegund, vooral ook door je ambtenaren. Die weten dat. Wellicht ken je de voorbeelden zelf? Overleg, leidend tot een moeizaam akkoord waar niemand zich helemaal wel of helemaal niet in vind, en dan, na de vergadering en afspraken, niets ervan uitvoert.

Zeker, er valt iets te zeggen vóoŕ die zes jaar. Net zo goed als dat er valt te zeggen vóór een prestatieafspraak.

Wie met wethouders spreekt, krijgt de indruk dat zij over het algemeen tevreden zijn over het duale stelsel waarin de gemeenteraad vooraf de koers uitzet en gedurende de rit op hoofdlijnen controleert. Mij lijkt dat ook logisch. Een eng keurslijf en op je vingers kijkende raadsleden geeft niet allure en vrijheid van een bestuurder, maar van een uitvoerder. Vrijheid van handelen en zelf kunnen reageren op (veranderende) omstandigheden, is dan veel aantrekkelijker. Helemaal mee eens.

Toch is die verhouding ongelooflijk essentieel, omdat het eerder een bestuur is met twéé kapiteins dan met één. Ja maar, zeg jij, in ziekenhuizen en theaters gaat dat ook goed met een zakelijk directeur en een inhoudelijke? Nog afgezien van wie een mogelijke onenigheid ‘wint’ – ik gok op de zakelijke overweging – is de verhouding anders. Het zijn niet twee meningen, maar een mening en een serie meningen die samen moeten optrekken. Alsof je samenwerkt met een collega die zijn standpunt nog niet heeft bepaald en daar ook nog wel even mee bezig is.

Een bestuursakkoord, dus? Daarin regel je de basale zaken, zoals ondermeer dit:

Over het vertrouwen

– het vertrouwen in een wethouder niet op te zeggen, als deze ander beleid uitvoert dan de eigen fractie voorstond of voorstaat; de enige manier om dat beleid te stuiten is door een raadsmeerderheid te vinden die het onderliggende besluit wijzigt;
– de vertrouwensregel uitsluitend te gebruiken binnen de controlerende taak van de raad; als gevolg hiervan valt een college niet als een wethouder moet aftreden, maar wordt deze vervangen door de partij waaruit hij/zij afkomstig is, dan wel wordt desgewenst een andere
partij in het college betrokken;
– beheersing te betrachten in de beoordeling van bestuurlijk handelen wanneer dit individuele en incidentele gevallen betreft waarbij de gemeente een bijzondere verantwoordelijkheid heeft.

Over de omgang met elkaar

– respectvol te zullen omgaan met elkaar, met alle inwoners, met partners en ambtenaren, zoals ook opgenomen in de gedragscode voor raads- en commissieleden;
– terughoudend te zijn met het agenderen van individuele en incidentele kwesties , zoals die mogelijk voortkomen uit de decentralisaties in het sociale domein;
– om in stellingnames het belang van en de omgang met de minderheid mee te wegen.

Het zal mijn kritische ik zijn die me toefluisterde: met dat eerste aandachtstreepje zet je de raad aardig op afstand als je dat wenst en partijen buitenspel. Je zal maar een wethouder naar voren schuiven die niet sterk in z’n schoenen staat en opschuift.

Zou je dus niets kunnen zónder de steun van de partijen die daardoor sterker werden?!

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s