Bloedeloze dood

De nu volgende scène is níet bedoeld als voorbeeld, om na te doen. Zo. Even de verantwoordelijkheid voor jullie gedrag verre van me werpen.

De beste manier om zelfmoord te plegen schijnt langzaam doodbloeden in een lauw bad te zijn. Daarover zijn de geleerden het overigens nog niet helemaal eens. Sterven door onderkoeling moet ook een zachte dood zijn. Maar aangezien niemand verslag kan doen van de resultaten – en ik het beeld van die bloedeloze dood nodig heb – houd ik het er op dat doodbloeden in een lauw bad een zachtaardige vorm is. Begin nu niet over medicijnenmengsels, of dodelijke drankjes danwel mechanische hulpmiddelen. Ik wil alleen dat je even stilstaat bij het beeld van een langzaam intredende dood als gevolg van dat leegbloeden.

Steden doen mij daar nog weleens aan denken als je er doorheen loopt: dat het leven ze langzaam verlaat. Maar wel zo langzaam dat je haast niet merkt dat de dood dichtbij is. Tot het te laat is. Het zijn de plekken waar de levendigheid verdwijnt die waarschuwen.
Dat je dan langs een ‘kantorenpark’ loopt en je afvraagt welke voll idiot ooit bedacht dat dit gedrocht een párk is. Zeker als grote delen uit hologige leegstand bestaan.
Of van die wijkwinkelcentra uit de jaren zeventig. Als ik die dingen zie tijdens zo’n grijsdruilerige dag raak ik acuut gedeprimeerd. Daar heb je dan weer zo’n cafetaria. Een stoffenhandel. De kwijnende platenzaak. En ongetwijfeld exemplaren van de winkelcentrumzwammen: de winkelketens.
Toen Nederland grootschalig en planmatig aan stadsvernieuwen was, had je ook nog eens grote aantallen lege gaten in de stad. Plekken waar ooit wrakhout stond dat zou worden vervangen door ‘stadsvilla’s’ en andere onzin. Wrakhout dat geregeld ook minder wrakhout was aan voorgewend door de planners. En wrakhout dat jaren later ineens enorm in trek was, zoals bijvoorbeeld de Amsterdamse De Pijp aantoont. Het zijn de krakers geweest die dat deel van de stad voor kaalslag hebben behoed en – o, ironie – nu zien hoe dáár de place to live is ontstaan.

Er zijn, kortom, van die plekken die echt níets uitstralen. Een Groot Niets midden in zo’n stad. Voor mij is zo’n plek in Den Haag te vinden: het Malieveld. Een groot niksig terrein. Het is dat het de naam Malieveld heeft, maar als je ernaar kijkt is het meer een foeilelijke grasvlakte. Zijn hele omgeving – context – is weg. Het hertenkamp is er nog. Maar oogt ronduit schlemielig als gevolg van de kantoorkolossen op de achtergrond die allemaal wedijveren om aandacht. De Haagse Dierentuin – jazeker! – is er ook al lang niet meer. En de provinciebestuurders konden niet achterblijven bij de rijksdepartementen waardoor het provinciehuis verdween achter een Nieuw En Groter provinciehuis. En daartussen ligt dat dit.

20130206-164357.jpg

Het is nog een ingewikkelde gribus. Het Malieveld hoort bij het Haagse Bos, links op de achtergrond, en mag niet worden bebouwd. Wel ligt er een parkeergarage onder, die eerlijk waar al om 22.00 uur sluit. En als je er dan toch niets mag bouwen, dan gebruik je de vlakte toch voor kerstcircussen, de jaarlijkse kermis, de ooit roemruchte en grote Pasar Malam en je verhuurt het terrein aan popgroepen. O, ik vergeet de incidentele grote demonstraties en parades nog. Maar het grootste deel van het jaar ligt het veld er verlaten bij.

Als je op een bankje gaat zitten met uitzicht over het Malieveld, kun je er wel op los fantaseren wat je met zo’n vlakte allemaal wél kunt. Een grote hondenuitlaatstrook – vast de grootste ter wereld – is toch een lot dat niet past bij deze oude dame. Maar wat zou eigenaar Staatsbosbeheer wél kunnen?

Staatsbosbeheer?! Dat zijn de mensen die ook natuurcampings hebben. Begin een stádscamping! Recht voor The Hague Train Terminal, ofwel Den Haag Centraal. De plek waar de jonge toerist met rugzak en al uitstapt.
Maak voor hen een stadscamping: een bijzondere. Eentje die helemaal self service is. Waar je een kluis huurt voor al je spullen inclusief je tentje. Overdag als je de stad in trekt, gaat alles, ook je tentje, in die kluis. Ben je meteen van het probleem van de familietenten af. Alleen met trekkerstenten is dit te doen. En aan de kluisjes is te zien of het vol is, want de kluisjeshuurder is de ingeschreven kampeerder.
Het enige wat je moet doen, is een stuk Malieveld afzetten, benoemen tot camping en een stuk of dertig(?) van die kluisjes plaatsen. Beetje service toevoegen? Zet er dan een beheerder bij. Doe je dat allemaal slim, dan hebben de grootschalige activiteiten er geen enkele hinder van.

En als we toch bezig zijn. Waarom niet een openbare muziektent of openluchtpodium? Mobiel, in verband met die grootschaligen. Maar waarom niet? Een plek in de stad waar iedereen die denkt iets te kunnen laten zien of horen dat anderen zal aanspreken, dat ook kan doen. Met een permanente muziekvergunning tot 24.00 uur. Waarom niet? Met een beetje geluk levert het levendigheid op op het Malieveld.

De kans is groot dat de “Ja, maar….”zeggers en -denkers allang rechtop zitten en het een na het andere praktische bezwaar opperen. Natuurlijk. Vandalisme. Een probleem. Jazeker. Geluidsoverlast. Voor omwonenden. Doffe ellende, voor die paar mensen die er wónen, naast de Kop van de Utrechtse Baan. Of: het mág niet.
Op zich een lastige want de bezwaren zijn er en moet je serieus nemen. Maar belangrijker is dat dergelijke bezwaren nooit levendigheid in de weg mogen staan. Want als dat gebeurt, krijg je als stad dus echt een langzame dood in een lauwwarm bad van bezwaren en belemmeringen.

20130206-164411.jpg

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s