De rode staart

De logica van een architect is soms wat ondoorgrondelijk. Daardoor hebben wij aan de voorkant van het huis de keuken, eentje met heel wel raam. Dat op zich is dan wel weer lekker want het zont goed door en je hebt ‘meer contact met het buitengebeuren tijdens het kookgebeuren’. Zoiets zal de bedoeling zijn geweest, fantaseer ik er op los.

Goed. Keuken, ramen, buiten.

Buiten is een staart. Een vrij dikke rood-rosse staart. En die staart zit vast aan een roodgevlekt lichaam dat zich behaaglijk nestelt op de oude, verzakte tuinbank in het voortuintje. Verder naar voren wordt het lichaam wit, om bekroond te worden met een witte kop. Een kop met daarin twee pientere ogen en een nog jonge snor. Een jonge kat.

20121110-184840.jpg

Nu zijn katten rare jongens. Ze houden van gewoontes en volgen, zo lijkt het, een dagelijks vaststaand patroon. Wij hebben er twee. Katten. Die doen het alsof ze er allebei niet zijn in die zin dat ze elkaar wel tolereren maar niet bepaald opzoeken voor gezelligheid. Als ze al een keer op minder dan twee meter van elkaar liggen, dan is dat hoogstwaarschijnlijk een foutje van een van de twee. Zoiets als “spring ik op het bed. Lígt-i er ook. Nou, ik deelde net of-t-i er niet was, hoor, en ben gaan slapen”. Daarin zijn ze een kei, een professional: in slapen alhoewel je altijd het idee hebt dat ze toch ook wakker zijn.

Die gewoonten maken de katten ook weer lekker voorspelbaar. Als ze bijvoorbeeld eten krijgen, is de grootste hobby van ze eerst een poosje de eigen brokjes op te peuzelen en dan vooral eens te gaan kijken of er nog iets valt te snaaien bij de ander. En omdat ze, vanwege een blaasaandoening van de oudste kat, apart moeten eten, zie je dus halverwege de heren van plaats wisselen (en wij de dieetkat zijn gevonden lekkere hapje ontnemen).
Na die wisseling is het tijd om even de tuin in te gaan. Dat doe je dan liefst niet te lang. Als je dan terugkomt; meteen even in het bakje van de ander kijken, water drinken en dan de rest van je eigen voer naar binnen werken. Daarna eventueel nog even kijken wat voor weer het is – de jongste van de twee maakt dan een ommetje. De oudste komt niet verder dan de tuin – en dan…. slápen!!

Dat soort jongens zijn het dus.

En dan ligt er plots op het bankje in de voortuin een vreemde kat.

Een jonge kat, met van die ronde ogen die een jonge kat karakteriseren. En vooral met een open, verwonderde blik. Alles is leuk. Alles is vriendelijk. Hij draait zich om en gaat eens uitgebreid naar binnen zitten kijken in onze keuken. Want, tja, zíjn keuken? Geen idee waar die precies is, sant deze kat kenden we nog niet.

Als onze jongste kat de hoek om sjokt op weg naar zíjn vast plekje op de bank, is dat plots ingenomen door een ánder. Een ander die denkt: “Spelen!”. “Nou, dat dachten we dus niet, hè. Ik ben al acht en jij.. ?!”. De kat met de rode staart duikt het bankje af en besluit onze witte met een omtrekkende beweging achter het pampasgras langs. Maar die witte is daar niet meer. Die ligt al op zíjn bankje en kijkt naar de rode staart met een blik van “Man, man, man, ik word al móe van het kijken naar je. Doe ’s rustig aan.”.

Da’s een voordeel van zo’n ruitige keuken aan de voorkant. Als je dit zo ziet gebeuren, dan kun je het raam een stukje open doen om het nog ietsje beter te zien. Die kat met de rode staart is, zoals iedere dondersteen, voor de Duvel en z’n Ouwe Moer niet bang. Laat staan voor een mens. Hij blijft de witte dus uitdagen en die blijft stoïcijns.

Tot de oudste van het stel ten tonele verschijnt.

Die komt zeer zelden in de voortuin, maar weet donders goed dat dit zíjn voortuin is. En dan mag deze rode staart dan wel een jonkie zijn, dat wil nog niet zeggen dat je álles moet accepteren. En dus, hup, door het openstaande raam er uit en op de rode staart af.
Die duikt onmiddellijk in de blazende, dikke staart verdedingingshouding en maakt zich daarna waardig uit de benen: “Jôh, ik was allang van plan weg te gaan”.

Om daarna onder de struikjes weer op te duiken en via die weg het betwiste tuintje weer binnen te komen. Met nog steeds diezelfde onbevangen, nieuwsgierige blik. Want waarom zou je je houden aan de grenzen, conventies en tradities uit het verleden? Altijd leuk toch om die te testen op stevigheid?

20121110-185538.jpg

Uiteindelijk maken de twee oudere katten dit jonkie met de dikke rode staart duidelijk wiens tuin dit is. Maar het spel leverde een half uur prachttoneel op. En de gedachte dat het toch mooi is geregeld; iedere nieuwkomer heeft ‘het recht’ de gevestigde orde te testen. Daar moet je eens om komen in een gemiddelde organisatie. Daar wordt zulk gedrag bepaald níet op prijs gesteld; nieuw beginnen en de vraag stellen op basis waarvan díe man, of vrouw, eigenlijk de directeur denkt te kunnen zijn. Want dat is wat de katten deden; de status en plaats in de pikorde bepalen.

O. Vandaag, een dag later, was de rode staart er weer. Op het bankje. Naar binnen kijkend. Zich afvragend waar die twee oude heren waren?

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s