Het verhaal van de lemming die niet wilde

Nu ik hun naam wil gaan tikken, realiseer ik me dat ik ze nog nooit in een dierentuin heb gezien geloof ik: lemmingen. En het zijn nog wel van die haast mythische diertjes met het verhaal dat zij zich in tijden van overbevolking massaal van Scandinavische klippen storten, een wrede dood in ijskoud fjordenwater tegemoet. Ik beken dat het deel ná de komma er door mij als 8jarige werd bijverzonnen. En ik weet nu dat ook het deel vóór de komma onzin is en dat lemmingen zich helemaal niet massaal in zee storten. Weer een illusie minder in het kader van de onttovering van de wereld, zullen we maar denken.

In de dierentuin werd ik als kind, zoals de meeste kinderen, vooral aangetrokken door de grote dieren, de gevaarlijke of de snoezige. Groot waren de olifanten en vooral de giraffes; en zeker toen omdat je nog een metertje korter dan nu was. De gevaarlijke waren dat vooral door hun imago – de leeuw lag meestal den tukkie te doen – en minder vaak door hun wapens – de krokodillenkaken waren vaak gesloten en de giftanden van de engste slangen bleven evenzeer onzichtbaar. De snoezige – een woord van mijn zusje – bleken vaak groepsdieren, met voor de andere onbereikbaar aan kop de stokstaartjes.

Stokstaartjes spreken vast tot de verbeelding vanwege hun aaibaarheidsfactor, met die intelligente kraaloogjes en die continue rechtopzittende alertheid. Ook de groep zal daarin een rol spelen. Want zelfs voor een kind is het duidelijk dat je niet naar een stokstaartje kijkt, maar naar een kolonie. Met enkele wachters die de omgeving spiedend in de gaten houden, is de héle groep in een oogwenk onder de grond verdwenen bij gevaar.

Groepen die zich als één geheel manifesteren, hebben ook wel iets magisch. De zwermen spreeuwen zijn bekend. De sardientjes, of haringen zo je blieft, die als één ‘massief’ geheel een roofdier trachten te misleiden. De koraalpoliepen die samen koraal vormen. De bijen die samen in staat zijn in de korf een hele bijenstad in stand te houden. En de mieren die dat ook doen. En het is fascinerend om het te zien, zeker als je je realiseert dat er eigenlijk geen regie wordt gevoerd. Goed, bijen en mieren vormen een uitzondering omdat zij wel functiedifferentiatie kennen, maar toch: ze zien er allemaal hetzelfde uit en dienen één belang: de groep.

Alhoewel een groep zich vaak als één geheel presenteert aan de (oppervlakkige) waarnemer, is dat, maken de bijen en mieren duidelijk, niet per sé waar.

Groepen kennen wel degelijk differentiatie. Dat kan hiërarchisch zijn: er is vaak sprake van een piramidevorm waarin de beslissers steeds hoog in die piramide zijn te vinden. Het kan ook functioneel: er zijn in een gemeenschap mensen met verschillende taken, van bewaking tot en met zorg. En er zijn groepen die samenwerken op basis van, min of meer, gelijkwaardigheid, zonder externe kenmerken als uniformen of emblemen. De meest voorkomende is jouw dagelijkse werkomgeving waarschijnlijk. Want de meesten van ons werken in een of ander teamverband.

20121010-190627.jpg

Zo’n team is een interessant verschijnsel. Een goed team, zo weten we inmiddels, is een balans van verschillende functies en eigenschappen bij de leden. “Er is chemie“: is de spreuk die dan vaak als verklaring wordt gebezigd. En dat is ook zo. Een succesvol team is vaak open in zijn onderlinge communicatie, biedt alle leden een veilige omgeving om de eigen rol te vervullen en kent wederzijds respect en acceptatie.

Succes is iets wat veel mensen nastreven. En dus zijn succesvolle teams ook populair. Maar waarin schuilt het geheim?

Jammer genoeg in dat woordje ‘chemie’. Want alhoewel dat woord begrip insinueert, is de reden dat het wordt gebruikt vooral gelegen in de lekenbetekenis. Daarin is chemie eerder een onbegrepen, verrassend proces dan een begrepen. Chemie heeft een toevals-aspect in zich. En dat klopt, want het ene duo mensen kan dan wel goed samenwerken maar waarom precies? En hoe dupliceer je dat?

20121010-190644.jpg

In de krant stond een mooi pleidooi voor gedifferentieerde teams. Heel terecht. Maar jammer genoeg is er geen formule voor de mengverhoudingen. Dat je bijvoorbeeld een tegendenker nodig hebt, is – achteraf analyserend – vanzelfsprekend. Maar zo iemand moet wel z’n rol kunnen vervullen. En dat betekent dat ook managers zo’n rol moeten accepteren. En, tja, als er iets is wat alleen goede managers aankunnen, is dat wel tegendenkers. De meeste managers en directeuren zullen de neiging hebben zich te omringen met meedenkers. En als er al tegendenkers zíjn, dan is de tendens eerder die monddood te maken dan te erkennen en benutten.

Vandaar. Dit organiseer je zo niet. En succesvolle bedrijven… die zul je eerder moeten zien als sociale verbanden dan als klassieke bedrijfsstructuren.

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s