Pleidooi voor voorspelbaarheid

Het viel me gisteren pas op: de postbode – of is het al een slechter betaalde postbezorger? – mikte de post pas om 17.45 uur door de bus. En een paar dagen geleden was dat zelfs pas om een uur of zeven ’s avonds. Nu kómt er niet zoveel post meer, dus zo belangrijk is het allemaal niet meer. Maar toch.

We zijn nogal geïndoctrineerd met de gedachte dat flexibiliteit een groot goed is. De ideale werknemer is dewelke – prácht woord – zonder veel moeite inzetbaar is. Software moet ‘adaptief’ zijn: een volslagen kul-term voor ‘makkelijk aanpasbaar’.

Dat er grenzen zijn aan flexibiliteit weten we al lang. Rond de eeuwwisseling van de vorige eeuw is een multi-apparaat ontwikkeld dat als kern een motor had, waaraan diverse hulpstukken konden worden gekoppeld. Van een stofzuiger tot een verfspuit en een keukenmixer. De belangrijkste les die je kunt trekken, is dat consumenten niet zitten te wachten op het mixen van voedsel met een apparaat dat ook verf kan spuiten. Aan multifuctionaliteit zít een grens. Aan flexibiliteit zit een grens.

Het summum van flexibiliteit is feitelijk vormloosheid. Iets vormloos kan immers naar believen worden gekneed, geboetseerd, gevormd. Daaraan zijn limieten, meestal gesteld door het gebruikte materiaal. Op een gegeven moment is ‘de rek’ er uit en valt er niets meer te kneden. Op een gegeven moment is de werknemer kapot en valt er niet meer te werken. Op een gegeven moment …

Mensen zijn, denk ik, niet zo idioot flexibel als (sommige werkgevers) weleens denken. Niet alleen zijn er de materiaalkenmerken die bij mensen karaktertrekjes en vaardigheden heten – de een is sneller in paniek dan de ander en de een is stukken handiger dan de ander – maar veel belangrijker zijn de omgevingsfactoren.

Waar machines dom zijn en niet op veranderingen in hun omgeving reageren als ze dat niet is ‘verteld’, reageren mensen daar wel degelijk op. Een stofzuiger begint welgemoed aan een zuigklus zonder enig idee te hebben van de hoeveelheid vuil die moet worden verwerkt. Een mens begint aan een klus met een idee van de aard en omvang. Dat lijkt een kinderachtig vergelijk.

Maar maak nu alles eens flexibel. Dan vallen je piketpaaltjes, je oriëntatiepunten weg. Die postbode die plots ’s avonds komt: wat als hij belangrijke officiële post moet bezorgen? Wat als die post op een bepaalde dag binnen móet zijn? Kun je dan vanaf nu dus in spanning blijven zitten tot middernacht, want ‘misschien komt de post vanaf nu ’s avonds’?
Of wat te denken van ‘flexibele salarisbetalingen’? Is het handig als je niet kunt rekenen op bepaalde betaaldagen? Hoe gaat dat dan met andere, wel vast terugkerende betalingen? Niet voor niets worden salarissen over het algemeen op vaste momenten betaald. En niet voor niets is er geregeld ophef over de uitbetaling van uitkeringen. De WW, bijvoorbeeld, kent geen vast terugkerende betaaldag in de maand: die wordt per periode van vier weken uitbetaald, waardoor uitbetalingsdagen schuiven.
Wat doe je met ‘flexibele collega’s’? Wie is dan degene die je nodig hebt? Wat is je eigen positie eigenlijk? Waaraan ontleen jij je houvast in het netwerk? Oók in de nieuwe netwerk-samenleving wn -economie zullen die bakens nodig zijn.

Flexibiliteit is inderdaad erg prettig, mits met mate en met menselijke maat. Dat betekent toch echt dat we áltijd een zekere mate van houvast, van inflexibiliteit nodig zullen hebben. Anders verloochen je niet alleen jezelf en je eigen kracht, maar reduceer je jezelf ook tot een klassiek-kapitalistisch arbeidsmiddel. Een apparaat zonder wil.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s