Nu is het tijd voor tegendraads

In mijn jeugd stookten wij vuurtjes. Niet al te vaak. Want ook al is het zo ongeveer vijftig jaar geleden: ook toen waren de braakliggende landjes, de woeste landjes, zeldzaam aan het worden. Maar het was nog mogelijk.
Zo’n vuurtje was altijd een gedoe. We hadden – uiteraard – maar een paar lucifers. En onze ‘pyrotechnische kennis’ was vrij beperkt. Goed, we hadden door dat je houtjes nodig had en papier. En ook dat je niet alles in elkaar moest proppen, maar lucht erbij moest laten. En we snapten ook dat je hout moest toevoegen als het vuurtje dreigde uit te doven.

Simpel principe: als een (verbrandings)proces dreigt te stoppen, moet je brandstof toevoegen, of zuurstof. Er moet in elk geval iets bij en de verhouding moet in orde zijn.

Vanochtend schoot me dat beeld wéér te binnen na het lezen van twee nieuwsberichten. In het ene wordt aangekondigd dat in grote steden nog zoveel moet worden bezuinigd dat in totaal duizenden banen op de tocht komen te staan. In het andere bericht wordt verslag gedaan van een promotieonderzoek waaruit blijkt dat onze

opvatting over werk en werkloosheid (moet worden) gemoderniseerd. (…) ‘Je bent niet meer het bedrijf waar je veertig jaar werkt. De arbeidsmarkt is niet zo statisch meer. Bij flexibilisering van de arbeidsmarkt past een identiteit die vloeibaar wordt. Het draait niet meer alleen om werk. Het zal vaker voorkomen dat iemand tussen twee banen inzit.’

Ik weet dat ik mezelf herhaal. Maar ik vind het ook verbazingwekkend:
hoe kan het dat we niet zien dat het vuurtje uitgaat en dat we dus iets moeten tóevoegen in plaats van weg te halen? Hoe kan het dat we precies het verkeerde doen?

Toen ik in de medezeggenschapsraad van een basisschool zat, liepen we ook tegen het fenomeen aan: de varkenscyclus. Op het moment dat de school uit z’n voegen barstte, was de nieuwe school nog steeds onderwerp van discussie terwijl al jaren daarvoor te voorzien was dat dit zou gebeuren. En op het moment dat de nieuwe school was gebouwd, begon de leerlingenkrimp. Alsof de gemeente – het was een openbare school – immer achter de feiten aanrende en iedere keer een oplossing aanreikte voor een óude situatie.

Het vinden van een oplossing ligt in de sfeer van het anti-cyclisch denken, en doen. Grof geschetst: ga tégen de stroom in. Doe precies het tegenovergestelde van de dominante beweging.
Een beetje ondernemer kent het. En de slechtere ondernemers vallen erdoor door de mand. Als het economisch slecht(er) gaat, is het tijd om te investeren. Dan is het níet de tijd voor desinvestering of krimp. In dat laatste geval wordt je concurrentiepositie zwakker en start een moeilijk te beheersen neerwaartse spiraal. Het eist nogal wat vingertoppengevoel – en dát onderscheidt de ondernemers dus – om te weten hoeveel je kunt investeren en waarin. Maar nú is bijvoorbeeld de tijd om goedkoop expansie te bewerkstelligen.

En laat je niet wijsmaken dat het probleem een gebrek aan werk is. Als je dat gelooft, is het goed om eens na te gaan hoeveel vrijwilligerswerk wordt gedaan in jouw gemeente. En vooral: wat ís dat voor werk? Zit daar werk bij dat met echt heel weinig moeite kan worden gezien als een gewone baan? Vast, durf ik te wedden. Als de motivator niet een gebrek aan werk is, wat dan wel? Mijn cynische inborst fluistert me in: bedrijfswinsten en beurskoersen. En ja, bedrijfswinst is tegenwoordig ook salonfähig als het over overheden gaat.

Het blijft me dan ook verbazen dat bedrijven en overheden bezuinigen, krimpen. Dat lijkt mij een korte termijnoplossing. En het lost op samenlevingsniveau niets op. Want wat er gebeurt, is dat organisatie een x-aantal werknemers de deur uitwerkt. Die komen grotendeels ten laste van de samenleving en blijken niet productief gemaakt te worden. Zie de geciteerde krantenartikelen. Uiteindelijk is daarmee het probleem op het bordje van iemand anders gedeponeerd. En, belangrijker, er is een wéér een groep mensen uitgeschakeld in het economisch verkeer. In feite trek je hout úit een zwak brandend vuurtje: dé manier om het helemaal te doven zonder water of zand erover heen te gooien.

Mijn kennis van vuurtjes stoken, zegt me dat je in het geval van een zwak flakkerend vuurtje moet zorgen voor meer brandstof. Dat zou betekenen méér mensen aan het werk. En met de wetenschap dat ook de mengverhouding op orde moet zijn, is het niet zo’n vreemde gedachte om nu eindelijk eens rigoureus het beschikbare werk te herverdelen. Het heeft niet veel zin om van het brandhout, de werknemers, méér opbrengst te eisen zonder meer ruimte voor zuurstof. Om het vuurtje brandend te hóuden, is het toch echt verstandig méér houtjes brandend te krijgen.

In september gaan we weer stemmen. Ik denk dat ik mijn stem ga geven aan die partij die weet hoe je een vuurtje moet stoken.

Advertisements

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s